Archive for the ‘Uncategorized’ Category
Wat zijn Nacht-und-Nebel-gevangenen?
Het begrip ‘Nacht-und-Nebel’ is afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog en specifiek gericht op de bestraffing van ‘illegale werkers’ (hier worden verzetsmensen bedoeld). Het ontstaan van de ‘Nacht-und-Nebel’- regeling is voor het eerst bekend gemaakt op 7 december 1941 in de ‘Richtlinien für die Vervolgung von Straftaten gegen das Reich oder die Besatzungsmacht in den besetzten Gebieten’. De nadere uitwerking ervan in een praktisch uitvoerbare regeling volgde enkele dagen later.
In eerste instantie was de toepassing van het ‘Nacht-und-Nebel’-principe gericht op de bestraffing van ‘illegale werkers’. Mocht er sprake zijn van een situatie waarin de doodstraf (direct gevolgd door executie) niet kon worden opgelegd, dan moest de Geheime Feldpolizei de arrestanten naar Duitsland overbrengen. Zij werden dan ‘gevangenen van de Wehrmacht’ en konden in het geheim door een Wehrmachtgericht worden berecht.
Van dit laatste voornemen kwam in de praktijk niets terecht. Voor zover bekend werden de ‘zaken’ tegen ‘Nacht-und-Nebel’-gevangenen aangebracht bij drie Sondergerichte (Keulen, Essen en Kiel) en het beruchte Volksgerichthof onder leiding van Roland Freisler.
De exacte hoeveelheid Nacht-und-Nebel-processen is niet bekend. Uit cijfers van eind 1942 blijkt dat de drie Sondergerichte meer dan 6.000 zaken toegewezen hadden gekregen. Het Volksgericht had toen circ200 Nacht-und-Nebel-dossiers in behandeling. Van het Volksgerichthof is bekend dat in
ongeveer 50% van de zaken een doodvonnis werd uitgesproken. Van de strafmaat bij de Sondergerichte heb ik geen nadere informatie kunnen achterhalen.
Wat gebeurde er met de Nacht-und-Nebel-gevangenen die niet ter dood waren veroordeeld?
Voor zover er geen sprake was van vrijspraak, kregen zij gevangenisstraf opgelegd. Die straf voerde hen naar de concentratiekampen Groß-Rosen en Natzweiler. Deze NN-Häftlinge verbleven er in een volstrekt isolement. Iedere vorm van contact met familie of vrienden werd hen verboden.
Hoe werd de Nacht-und-Nebel-regeling in Nederland toegepast?
In algemene zin werden alle Nederlandse verzetsmensen die door de bezetter werden gearresteerd als politieke gevangenen beschouwd. Wanneer niet aan de randvoorwaarde inzake veroordeling en executie kon worden voldaan, dienden de Nederlandse NN-Häftlinge overgeleverd te worden aan de Wehrmacht en afgevoerd naar Duitsland. Dit gebeurde aanvankelijk echter niet. Dat had alles te maken met het feit dat het Duitse bestuur van bezet Nederland niet onder het Oberkommando der Wehrmacht ressorteerde. In bezet Nederland werd deze regeling aanvankelijk dus niet uitgevoerd.
In mei 1942 probeerde Seyss-Inquart toestemming te verwerven om in bezet Nederland de Nacht-und-Nebel-regeling op een andere manier te mogen toepassen. Hij stelde voor verzetsmensen, die men eigenlijk ter dood zou moeten brengen, zou men als NN-Häftlinge laten verdwijnen. Het zou dan lijken alsof zij waren geëxecuteerd; in bezet gebied zou het effect dus hetzelfde zijn. Maar in werkelijkheid zou men deze gevangenen als politieke gijzelaars kunnen gebruiken. Het waren, aldus Seyss-Inquart en Rauter, na de oorlog ‘zeer waardevolle mensen’.
Een nieuw decreet
De correspondentie over deze zaak was nog gaande, toen Hitler op 30 juni 1944 een nieuw decreet ondertekende. Door de gehele berechting van ‘illegale werkers’ werd een streep gehaald. Zij moesten – als zij op heterdaad waren betrapt – ter plekke worden neergeschoten. De opheffing van alle regels inzake berechting betekende dat alle gevangenen - ook die in bezet Nederland – volledig in de macht van de Sicherheitspolizei kwamen.
Vergeten volksvertegenwoordigers: dr. J.Th. de Visser
Hervormd predikant en vooraanstaand CHU-politicus. Kwam in 1897 voor de kleine Christelijk-Historische Kiezersbond in de Tweede Kamer. In 1918 de eerste minister van Onderwijs van Nederland in de 20e eeuw. Voltooide met zijn Lager-Onderwijswet de onderwijspacificatie. Bracht ook andere belangrijke wetgeving tot stand, zoals bijvoorbeeld de Nijverheids-onderwijswet. Begenadigd en veel gevraagd feest- en kanselredenaar.
Van de jeugd van De Visser is weinig bekend. Zijn moeder stierf, toen hij nog een kleine jongen was. Volgens eigen zeggen had zijn vader ‘werkelijk alles’ opgeofferd om zijn oudere broer en hem een goede opleiding te geven. Na zijn eindexamen gymnasium-A ging hij in 1874 (hij was toen 17 jaar jong) in zijn geboorteplaats Utrecht theologie studeren. Op 27 mei 1880 promoveerde hij cum laude op een proefschrift over De Daemonologie van het Oude Testament. Ondertussen had hij in 1879 ook het kandidaatsexamen rechten afgelegd.
De start van de politieke carrière van De Visser loopt ongeveer gelijk op met de oprichting van de Christelijk-Historische Kiezersbond. In 1897 – de eerste maal dat er verkiezingen werden gehouden op basis van de nieuwe Kieswet van S. Van Houten – werd De Visser voor een Rotterdams district in de Tweede Kamer gekozen.
Minister van Onderwijs
Als minister van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen in het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck viel hem de taak toe om in een nieuwe wet op het lager onderwijs het juiste evenwicht tussen het openbare en bijzondere onderwijs te vinden. De Visser zorgde ervoor dat in de openbare school zoveel mogelijk zou blijken dat Nederland een christelijk land was. Ook volgens de nieuwe wet moest de school naar de oude, door Groen van Prinsterer en Kuyper zo gewraakte formule, opleiden tot ‘alle christelijke en maatschappelijke deugden’.
Op de openbare scholen zou – in de gewone schooluren – gelegenheid zijn tot het geven van godsdienstonderwijs, zij het niet door de klassenonderwijzer. Met dezelfde wet werden allerlei verbeteringen in het onderwijs doorgevoerd, die volledig los stonden van de pacificatie, maar wel veel geld kostten, zoals een 7e leerjaar. De Vissers wetsvoorstel werd met vrijwel algemene stemmen aanvaard. De minister werd zeer geprezen om zijn bekwame aanpak van deze zeer ingewikkelde materie.
Conflicten
Korte tijd later verloor hij veel van het vertrouwen dat hij had omgebouwd. Men maakte bezwaar tegen de gedetailleerde bemoeienis van het departement van Onderwijs met de scholen. Als onderdeel van de algemene bezuinigingen na 1920 moest ook De Visser een aantal van de verbeteringen die de wet had gebracht terugnemen. Maar speciaal katholieken en antirevolutionairen waren teleurgesteld door zijn beleid.
De Visser was een voorstander van bijzonder lager onderwijs, omdat op de lagere school opvoeding en onderwijs niet van elkaar te scheiden waren. Voor andere vormen van onderwijs gold dit naar zijn overtuiging niet of nauwelijks.
Op andere gebieden kwam De Visser in conflict met de meerderheid van de rechterzijde van het parlement. Bijvoorbeeld toen hij subsidie voorstelde voor de opera en voor de Olympische Spelen die in1928 inAmsterdam werden gehouden.
In de sterk gepolariseerde politiek van het Nederland in het eerste kwart van de 20e eeuw stond deze markante bruggenbouwer vaak alleen. Van 1897 tot 1903 was hij in de Tweede Kamer een eenling. In 1905 ging hij zijn eigen gang bij de Hoger Onderwijswet. Na de kabinetscrisis van 1925 – toen hij niet wilde toegeven aan de antipapistische stemming in zijn partij – stond hij zo geïsoleerd, dat er van bruggen bouwen geen sprake meer was. Zijn rol was uitgespeeld.
Johannes de Visser overleed op 14 april1932 in zijn woonplaats Den Haag.
Concentratiekampen en kruidentuinen
In tegenstelling tot Hermann Göring – zijn onbedwingbare hebzucht moet de nazi’s indertijd miljoenen hebben gekost – was Himmler sober tot op het extreme af. Nooit gaf hij blijk van enige belangstelling voor geld of materieel bezit. En hoewel hij na Hitler op een zeker moment was opgeklommen tot machtigste man van het Derde Rijk, bleef zijn salaris beperkt. Evenmin was hij geneigd tot enigerlei vorm van financiële corruptie. Van al deze praktijken hield Himmler zich verre. Hij bezielde zijn SS met de idealen van de Teutoonse ridders en verbood hun, op straffe des doods, ooit hun handen te bezoedelen ‘met zoveel als een geconfisqueerde sigaret.’ ‘Hij die een slachtoffer ook maar van één pfennig berooft, zal sterven’, heeft hij ooit eens gezegd.
Een klein aantal SS’ers vond het nodig dit bevel te negeren. Ze stierven stuk voor stuk voor het vuurpeloton. Wij hadden het morele recht, wij waren het tegenover ons volk verplicht dit volk (de joden) te doden dat ons wenste te doden. Maar wij hebben niet het recht onszelf te verrijken met een horloge, een mark, een sigaret of wat dan ook. Ik zal nooit lijdelijk toezien bij slechts de geringste rotte plek of deze zelf veroorzaken. Waar ze ook aan de dag treedt, wij zullen ze samen uitbranden.
De nobele ‘Ridderschapsorde’ waarmee Himmler zijn SS-leiders bekleedde, was geen pure abstractie. ‘De SS vertegenwoordigt de raszuiverheid’, schreef hij. ‘De leiders moeten waardig onderwezen worden in de tradities van hun voorgangers.’
Ridders van de Teutoonse orde
De voorgangers waar hij aan dacht, waren de ridders van de Teutoonse Orde, die in de 12e eeuw een hospitaal bouwden voor christenen die leden onder de verwoestingen, aangericht door de heidense Goten, en dat daarna een militair genootschap werd, dat betrokken raakte bij de bekering der heidenen tot het christendom. Dit gebeurde overigens meer door wreedheid dat door missiearbeid.
Zij combineerden hun missiearbeid met territoriale veroveringen. Himmler kreeg Hitler zelfs zover, dat hij instemde met de bouw van een middeleeuws kasteel (de Wewelsburcht) in
Paderborn, Westfalen. Naar de mening van Himmler was dit noodzakelijk om hooggeplaatste SS-officieren met de ‘geest van Duitslands vroegere en nu weer terugkerende grootheid te indoctrineren’.
De bouwkosten van de Wewelsburcht – volgens zeggen 11 miljoen Mark – vormde de enige belasting die Himmler ooit aan de staatskas heeft opgelegd. Zijn huis in Gmund heeft hij betaald met de opbrengst van zijn boerderij in Waltrudering. Hij vulde het kleine verschil met de koopprijs aan met een hypotheek waarover hij bereidwillig een exorbitante rente betaalde. Rente betalen was een van de verplichtingen van een lener die, gevraagd of ongevraagd, altijd moest worden nagekomen, vond hij.
Concentratiekamp Dachau
Dit toonbeeld van financiële deugd vond op 7 oktober 1935 – zijn verjaardag – een nieuw speeltje. Het concentratiekamp Dachau was verbouwd en werd in gebruik genomen. Persoonlijk leidde hij er een groep prominente bezoekers rond – waaronder Rudolf Hess, indertijd Hitlers plaatsvervanger en vroegere secretaris. Vol trots liet hij de zoeklichten zien, de onder stroom staande omheiningen en de machinegeweerposten. Alles om ontsnappingen te voorkomen. ‘De installateurs vertellen mij dat er een spanning van 75.000 Volt op de omheining staat en dat iedereen die de draden aanraakt, onmiddellijk in een zwart verbrande korst verandert. Het is een bijzonder verschijnsel.’ In die tijd begon het effect van de Neurenberger Wetten bij de toevoer van gevangenen.
Er waren geen sporen van wreedheid te zien – maar Himmler zei op spijtige toon dat vroeg of laat streng zou moeten worden opgetreden, omdat het ‘uitschot der aarde’ dat hier kwam nu eenmaal niets anders verstond. Het ergste zou het voor de kampwachten en hun gezinnen zijn hier te moeten wonen. Zo dicht bij zulke onprettige toestanden.
Himmler voegde aan dit even misplaatste als lachwekkende medelijden nog een nadere verklaring toe: ‘Het is de tragedie van de elite deel te hebben aan de gewelddaden voor de glorie van het vaderland.’ Daarna begon hij uit te leggen dat zijn Totenkopf-eenheden (de naam die hij had gegeven aan de SS’ers die voor de dienst in het concentratiekamp waren aangewezen) op velerlei manieren compensatie ontvingen voor het door hen gebrachte offer.
Deze compensaties bestonden uit het privilege vóór het ontbijt te mogen luisteren naar lezingen over het inspirerende leven van Adolf Hitler of lezingen uit Der Mythus des 20. Jahrhunderts van Rosenberg. De vrouwen en kinderen van de Totenkopfwachten, die ouder waren dan 2 jaar, werden eveneens gelast om naar deze hoogverheffende lezingen te luisteren. Na afloop van de lezing volgde het ontbijt: havermoutpap, Apollinaris-mineraalwater, prei en kruidenthee, samengesteld naar een recept van Marga Himmler. Enkele vrouwen van de SS’ers beweerden dat de havermeelpap hen vet maakte, was niet in overeenstemming was met het nazi-noords genetische patroon dat door Himmler was vastgesteld. Maar de Reichsführer verzekerde hen dat dit een foutieve veronderstelling was. Als bewijs hiervan wees hij op Anthony Eden en Neville Henderson, die beiden slank waren en uit de Britse aristocratie stamden – ‘in welke kringen nooit iets anders dan havermoutpap als ontbijt werd gegeten.’
Kijken, kijken en de rest erbij denken
Weinig sketches uit de Nederlandse Kleinkunst hebben zoveel gevleugelde woorden opgeleverd als de tweespraak die Kees van kooten en Wim de Bie in 1977 ten beste gaven in de Houtrusthallen in Den Haag. Zij deden daar de Klisjeemannetjes, twee Haagse
typetjes die zich voornamelijk in clichés uitdrukken. De dialoog duurde slechts 12 minuten en 25 seconden, maar leverde een recordaantal woorden en zegswijzen.
Eén daarvan is kijken, kijken en de rest erbij denken. In de dialoog heeft de uitdrukking betrekking op tijdschriften met blote dames. De Bie vertelt dat hij moeite heeft om ‘m omhoog te houden, waarop Van Kooten hem vraagt of hij geen Panorama in zijn leesportefeuille heeft.
De Bie: “Ja, d’r zit een Panorama in en de Nieuwe Revu, en de Bunte Illustrierte zit er ook in.”
Van Kooten: “Nou, dat zijn tachtig tieten per week, man!”
De Bie: “Maar wat moet ik nu met papieren joekels?”
Van Kooten: “Kijke, kijke en de rest erbij denke. Ja, je moet er wat voor doen
als je hem omhoog wilt houden. Voor niks gaat alleen de zon op.”
Inmiddels wordt kijken, kijken en de rest erbij denken allang niet meer alleen in een seksuele context gebezigd. Een voorbeeld van internet, over de restanten van villa’s in een routebeschrijving: “Dit is dus wat er van over is. Er is nog wel meer terug te vinden, maar dan moet je goed kijken en de rest erbij denken.”
