Archive for februari 2012
De vele gezichten van kamp Westerbork
Vandaag de dag is kamp Westerbork natuurlijk vooral bekend als ‘Judendurchgangslager’ uit de Tweede Wereldoorlog. Vanuit het kamp vertrok iedere dinsdag een trein vol joodse Nederlanders richting Auschwitz. Toch is het kamp niet specifiek voor die reden gebouwd.
De opvang van Joodse vluchtelingen
Om de snel aangroeiende stroom van joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland op te kunnen vangen ontstond bij de toenmalige Nederlandse regering het plan een speciaal opvangkamp in te richten. Aanvankelijk was het plan ontwikkeld voor een plek in de buurt van Elspeet op de Hoge Veluwe. Protesten van het Kabinet der Koningin en de ANWB zorgden ervoor dat er een nieuwe locatie werd gekozen: het Amerveld bij Hooghalen, tien kilometer ten noorden van Westerbork.
De joodse gemeenschap in Nederland liep aanvankelijk allerminst warm voor deze nieuwe plek. Niet alleen omdat de regering het niet nodig vond hen van de gewijzigde plannen op de hoogte te stellen. Ook omdat werd besloten dat hen de rekening voor alle kosten zou worden gepresenteerd.
De joodse gemeenschap werkte mee
Uiteindelijk werd toch tot medewerking besloten. Dat had alles te maken met de ‘plannen’ zoals die door het ministerie van Binnenlandse Zaken werden gepresenteerd. Opeens bleken er tal van bijzondere voorzieningen mogelijk te zijn. Zo werd er gesproken over opties voor akker- en tuinbouw, veeteelt en smederij en onderhoudswerkplaatsen. Het wantrouwen
verdween helemaal toen er ook suggesties op tafel kwamen voor het bouwen van een school en een synagoge. Ook recreatieve voorzieningen werden niet vergeten.
Nu de Nederlandse joodse gemeenschap besloot tot medewerking, kon in augustus 1939 met de bouw van barakken worden begonnen. Het was een project dat werd uitgevoerd in het kader van de werkverschaffing.
Op 9 oktober 1939 kwamen de eerste joodse vluchtelingen in Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork aan. Het waren 22 Duitse joden die tevergeefs hadden geprobeerd om met het Duitse schip St. Louis uit Hamburg naar Cuba te vluchten.
Wordt vervolgd
Taalvernieuwing door Koot en Bie: ‘Dames heren ook’
Op 28 oktober 1974 belegden Kees van Kooten en Wim de Bie een persconferentie in Hotel Krasnapolsky in Amsterdam om de oprichting van het Simplistisch Verbond bekend te maken. Een ooggetuige schreef later:
‘Hoewel de verzamelde Nederlandse pers aanvankelijk niet goed raad wist met de doortrapte mengeling van ernst en humor, ontstond de eerste hilariteit toen Kees en Wim lieten weten dat zij verder door het leven zouden gaan als Heer Kooten en Heer Bie. De eerste introduceerde ook de mattenklopper als symbool van de nieuwe beweging, benevens de krompraat die jarenlang zijn handelsmerk zou zijn.’
Een van de bekendste voorbeelden van Kootiaanse kromspraak is dames heren ook. Deze uitdrukking werd gebruikt in de uitzendingen, op de bescheurkalenders en in de stukken van het Simplistisch Verbond.
Zo opende de zogeheten Teleurstellende kultuurnota van het Simplistisch Verbond als volgt:
Dames heren ook,
U bent voor elkaar.
De een wat dikker dan de ander, maar uw grote trekken
kloppen op de kulturele keper. Want anders zou u dit geeneens onder ogen lezen.
Maar zij? De rest van de anderen?
Daar hoopt het Simplistisch Verbond een min of meer boekje van open te doen.
Achter die krompraat zat een gedachte. In 1977 vertelde Kees van Kooten hierover aan de Nieuwe Linie:
Ik ben met dat vervormde praten begonnen omdat het mij was opgevallen dat bijna niemand écht goed lopende zinnen maakt. Door dat vreemde spreken zijn mensen juist goed over
de Nederlandse taal gaan nadenken. Het heeft de creativiteit aangewakkerd. Toch is er verwarring ontstaan omdat men meende dat wij daarmee een trend wilden aangeven. Maar wij zijn absoluut geen trendsetters, maar juist trendbestrijders.
Bij een gedoogkabinet zijn de beleidsmarges vaak flinterdun
Toen het kabinet Rutte (VVD-CDA) in oktober 2010 aantrad, zorgde het direct voor een unicum in de naoorlogse Nederlandse politieke geschiedenis. Ons land werd bestuurd door een kabinet dat van meet af aan niet op meerderheid in het parlement kon rekenen. Het kon slechts door het maken van gedoogafspraken met een derde partner (PVV) aan een meerderheid in de Tweede Kamer komen.
Bij een gedoogkabinet zijn de beleidsmarges vaak flinterdun. Dat maakt het functioneren al bij voorbaat erg moeilijk. Wordt daar dan bewust op aangestuurd? Nee hoor, in tegendeel. Maar soms leiden verkiezingen tot geen andere mogelijkheid. Zoals bij de verkiezingen van 1905.
Door de ronduit zwakke prestaties van het kabinet Kuyper haalden de christendemocratische partijen geen meerderheid. Hun grote tegenstrevers – de liberalen – slaagden er eveneens niet in om voldoende zetels te halen. Toch moest er een nieuwe regering worden gevormd. Formateur Goeman Borgesius, de leider van de Liberale Unie, had de twijfelachtige eer om een kabinet te formeren. Na veel hoofdbrekens wist hij uiteindelijk partijgenoot Theo de Meester – geen politicus, maar een hoge ambtenaar van de Raad van Nederlandsch-Indië – te interesseren voor de functie.
Het kabinet van kraakporselein
De Meester werd premier van het ‘kabinet van kraakporselein’. Een uitdrukking waarmee het hoogst kwetsbare karakter van de samenwerking binnen het kabinet werd beschreven. Het kabinet bestond uit liberale en vrijzinnig-democratische ministers, aangevuld met twee onafhankelijke kandidaten.
Met uitzondering van haar defensiebeleid weet de regering zich in de Tweede Kamer gesteund door de sociaaldemocraten van Troelstra. Specifiek voor defensieaangelegenheden zocht men de steun van christendemocratische politici.
En kwamen er toen toch resultaten? Nee, die bleven uit.
Dat heeft allereerst te maken met de wankele parlementaire steun voor het nieuwe kabinet. Bij zijn aantreden weet het kabinet De Meester zich slechts
verzekerd van de steun van de Liberale Unie en de Vrijzinnig Democratische Bond, samen goed voor welgeteld 35(!) Kamerzetels. Bij het debat over de regeringsverklaring spreekt SDAP-leider Troelstra ook al pessimistische woorden: ‘Een gebouw zonder stijl, licht en luchtig, opgetrokken uit halve-steens-muurtjes; de deuren hangen niet eens goed in de hengsels; men is er aan weer en wind blootgesteld – revolutiebouw!’
Een prettige man zonder politiek draagvlak
De manier waarop de nieuwe minister-president aan het werk gaat, helpt hem aan een positieve reputatie. In de parlementaire journalistiek van die tijd wordt De Meester wel omschreven als ‘een ouderwets type vriendelijke schoolmeester, die door zijn betrouwbaarheid en eerlijkheid bij iedereen respect afdwingt.’
Maar de populaire premier mist iedere vorm van politiek draagvlak. Daarom krijgt zijn kabinet vrijwel niets voor elkaar. Het tot stand komen van de Wet op de arbeidsovereenkomst (1907) is feitelijk de enige wetgevende prestatie van dit kabinet die het vermelden ook echt waard is. Van ambitieuze plannen rond de hervorming van de belastingen en de uitbreiding van het kiesrecht komt niets terecht.
Bij pogingen om de structuur van het leger te hervormen, komt het kabinet in grote problemen.
De nacht van Staal
Minister van Oorlog Henri Staal wilde het permanente deel van de Nederlandse strijdkrachten vervangen door een ‘volksleger’ naar Zwitsers voorbeeld. Alle weerbare mannen dienden dan enkele maanden dienst te doen.
Dit plan leidde tot voor die tijd ongemeen felle debatten in ’s lands vergaderzaal. Op 21 december 1906 overleeft het kabinet amper de stemming in de Tweede Kamer. Later wijst de Eerste Kamer de plannen alsnog af. Toen het kabinet in een gezamenlijke reactie wilde aftreden, weigerde Koningin Wilhelmina hierop in te gaan. Slechts minister Staal trad af. Toen in december van het daaropvolgende jaar echter ook de begroting van de opvolger van minister Staal werd verworpen, hield premier De Meester het voor gezien en was de zittingsperiode van het kabinet van kraakporselein voorbij.
De Meester blijft politiek actief
Wie verwachtte dat De Meester – na het relatief snelle einde van zijn kabinet – de politiek de rug zou toekeren, kwam bedrogen uit. Hij deed meerdere pogingen om een zetel in de Tweede Kamer te veroveren. In 1910 lukt het.
Namens het district Den Helder en Schoterland komt hij in het parlement. In 1913 wordt hij fractievoorzitter van de Liberale Unie; een functie die hij combineert met die van politiek redacteur van Het Vaderland.
Twee jaar later overlijdt hij, om vervolgens betrekkelijk snel in de vergetelheid te raken.
Waar is prof. dr.ir. Akkermans toch gebleven?
Op 15 oktober 1989 – tijdens de formatie van het derde kabinet Lubbers – verschijnt prof.dr.ir. Akkermans voor het eerst op de televisie. Hij was te gast in ‘Kijk op het Rijk’, een onderdeel van ‘Keek op de Week’. Gastheer was Louc Hobbema, een typetje van Wim de Bie.
Akkermans viel niet zozeer op door zijn uiterlijk. Hij zag eruit als een doorsnee corpsbal: blauw blazertje, stropdas met klassiek motiefje, duur horloge en een modieuze bril. Nee, meer indruk maakte zijn bevroren glimlach, zijn hoog uitschietende stem en zijn ronduit stuitende ijdelheid.
Het typetje was meteen neergezet: het ging hier om een zelfingenomen, opgeblazen, over het paard getilde ijdeltuit. Iemand die het volkomen vanzelfsprekend vond dat hij gevraagd zou worden als staatssecretaris of als minister. Natuurlijk werd hij genoemd, want hij maakte deel uit van het old boys netwerk, dat kon je zo zien.
Op de cover van Elsevier
Akkermans maakte ogenblikkelijk furore. Nog geen drie weken later prijkte hij al voor het eerst op de cover van Elsevier. Breed grijnzend voor zijn goedgevulde boekenkast, de armen losjes over elkaar.
In de jaren daarna dook Akkermans regelmatig op. In april 1990 – bij de laatste uitzending van Keek op de Week – meldde Kees van Kooten in de VPRO-gids dat Akkermans aan de Open
Universiteit een leerstoel Simplisme had gekregen. Eén jaar later, in november 1991, berichtte NRC Handelsblad dat prof. dr.ir. Akkermans, net benoemd tot staatssecretaris voor het midden- en kleinbedrijf, bij Laag Keppel in Gelderland een paaltje had geramd. De aanleiding voor dit fakebericht was een ongelukje van Lubbers.
Afgezien van aprilgrappen was dit van de weinige keren, dat NRC Handelsblad – nota bene op de voorpagina – een nepbericht plaatste.
Beroemde bestuurders: wethouder Hekking
Wethouder Tj. Hekking werd min of meer bij toeval geboren. Ergens aan het Naardermeer, eind 1982. Kees van Kooten en Wim de Bie waren er met een bord met de plaatsnaam Juinen. In 1984 vertelde Kees van Kooten aan muziektijdschrift Oor hoe het destijds was gegaan.
‘Wij stonden ook alleen maar met die burgemeester en wethouder onder dat ene bord met Juinen, daar aan het Naardermeer. Drie takes, vier takes, pogingen en ineens merken we dan: die wethouder wordt gek van ijdelheid en staat alleen maar in die camera te kijken. je kunt dat niet op papier bedenken. Het karakter van zo’n figuur moet tijdens het draaien groeien.’
De naam Hekking gaat niet – zoals bij veel andere typetjes – terug op een figuur uit de jeugd van Van Kooten en De Bie, maar werd gekozen om de zangerige klank. Aanvankelijk had Hekking alleen voorletters, geen voornaam. Maar toen er brieven binnenkwamen met de vraag waar dat ‘Tj.’voor stond, moest er iets worden verzonnen.
Het werd Tjolk naar een toentertijd bekend merk frisdrank.
Meesterlijk type
Tjolk Hekking was een meesterlijk type. Met zijn strak over het voorhoofd gekamde haren en zijn jaren-vijftigbril. Hij droeg een bruin pak en een rode wollen trui, waar zijn stropdas op een vreemde manier bovenuit was getrokken, als betrof het een choker.
Steeds als burgemeester Van der Vaart iets in het moeilijke Juinense dialect probeerde te zeggen, verbeterde Hekking hem. Maar zijn meest in het oog springende eigenschap was zijn onvoorstelbare camerageilheid. Stond hij aan het begin van een scène nog naast, of achter Van der Vaart, gaande weg wist hij zich op een hinderlijke, maar toch relatief onopvallende manier naar voren te wurmen, de camera de hele tijd scherp in de gaten houdend.
Het is vooral die eigenschap die Hekking in de Nederlandse taal onsterfelijk heeft gemaakt. Het type mens was er natuurlijk al; er bestond alleen nog geen naam voor.
Misdaden in nazi-concentratiekampen: het medische experiment
Met de vaststelling dat de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekampen misdaden hebben begaan die voor een normaal denkend mens nauwelijks te bevatten zijn, vertel ik niets nieuws. Naast het moorden en martelen werden er ook medische experimenten uitgevoerd. De bekendste dader is dr. Josef Mengele. Maar in werkelijkheid waren er meer. Voor zover kan worden nagegaan, hebben tussen de 60 en 70 medici aan deze verderfelijke praktijken meegewerkt.
De experimenten werden voor meerdere doeleinden uitgevoerd. Mengele was bijvoorbeeld veel bezig met genetica. Andere onderzoeken hadden betrekking op de werking van nieuwe wapens, medicijnen of alternatieve therapieën. Ook werd er onderzocht in hoeverre de mens onder extreme omstandigheden kon overleven. De SS vond het in die tijd heel normaal om deze experimenten – in werkelijkheid klinkklare martelpraktijken – op untermenschen, zoals zigeuners en joden uit te voeren.
De Tweede Wereldoorlog was nog niet eens begonnen, toen er in Sachsenhausen – circa 35 kilometer van Berlijn – voor het eerst proeven werden gedaan om de uitwerking van bepaalde types gifgas op mensen te testen.
De onderzoeken die moesten leiden tot oplossingen om militairen en zeelieden beter bestand te laten zijn tegen extreme omstandigheden werden voornamelijk in Dachau uitgevoerd. In juni 1944 zijn daar 40 zigeuners uit Buchenwald naar overgeplaatst. Zij kregen proeven te ondergaan om zeewater drinkbaar te maken. Daarvoor heeft men getest in hoeverre gevangenen bestand waren tegen het inademen van zuurstofarme lucht, zoals een jachtvlieger zou moeten doen als hij op grote hoogte zijn toestel onverrichter zake zou moeten verlaten. Al deze proeven (een deel daarvan in aanwezigheid van Himmler persoonlijk) hebben 70 tot 80 mensenlevens gevergd.
Experimenten ter versnelling van de voortplanting
Een ander opvallend onderwerp. Voor zover bekend, zijn hiervoor onderzoeken verricht in Mauthausen, Buchenwald en Auschwitz. In Mauthausen zijn in de herfst van 1941 bij elf gevangenen de teelballen weggenomen, waarna hen hormoonpreparaten werden toegediend. In Buchenwald heeft men nagegaan of mannelijke homoseksuelen na de inplanting van klieren of het toedienen van synthetische hormonen hun seksuele geaardheid zouden verliezen. En in het Auschwitz-complex heeft SS-arts dr. Jozef Mengele in de periode 1942-1944 getracht de factoren te ontdekken die zorgen voor het ter wereld komen van tweelingen of dwergen. Kennelijk was het Mengele’s wens dat het Herrenvolk zoveel mogelijk tweelingen en zo min mogelijk dwergen zou voortbrengen.
Uit getuigenverklaringen die zijn opgetekend door dr. L. de Jong is overigens gebleken dat Mengele als een slecht arts moest worden beschouwd. Niet alleen had hij slechts zeer beperkte vakkennis. Ieder verantwoordelijkheidsgevoel was hem volkomen vreemd. Een mensenleven betekende voor deze man hoegenaamd niets. Het was nog minder waard dan dat van een proefkonijn.
Voor het schetsen van een zo objectief mogelijk kader waarin deze wanstaltige proeven werden uitgevoerd, sluit ik af met een gedeelte van het verhoor van de SS-Lagerarzt van het concentratiekamp Sachsenhausen, Baumkötter, voor een Russisch militair tribunaal. Dit citaat is afkomstig uit deel 8 van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ van dr. L. de Jong.
Aanklager: ‘Werden er experimenten met cyaankali uitgevoerd?’
Baumkötter: ‘Ja. Dat was eind 1944 of begin 1945, toen de Sanitätsinspektor van de concentratiekampen – SS-Standartenführer Lolling - in het kamp kwam. Daarvoor was ook een gevangene uitgezocht voor een bepaald experiment. Ik moest met de Sanitätsinspektor naar het crematorium gaan. Onderweg trok Lolling uit zijn aansteker een kleine ampul van 1 cm inhoud. Deze werd in de mond van de gevangene gestopt en hij moest er op bijten.’
Aanklager: ‘Na hoeveel tijd trad de dood in?’
Baumkötter: ‘Ik stelde vast dat de dood reeds na 15 seconden was ingetreden.’
Aanklager: ‘Met welk doel werd dit experiment eigenlijk uitgevoerd? De werking van cyaankali op het menselijk organisme was toch al lang bekend?’
Baumkötter: ‘Met dit experiment moest alleen vastgesteld worden in hoeveel tijd de toegediende dosis op de mens dodelijk werkt. Voor zover ik weet, werd dit experiment op bevel van Pöhl uitgevoerd om een middel te vinden dat het de hoge SS-leiders mogelijk zou maken om – na de mislukking van deze oorlog – zich pijnloos en in zeer korte tijd aan hun verantwoordelijkheid te onttrekken.’
Himmler heeft op 23 mei 1945, ruim twee weken na de capitulatie van Duitsland, van dit middel gebruik gemaakt.
De parlementsvoorzitter en de Kristallnacht
Politici spenderen veel tijd aan praten: toespraken, vergaderingen, debatten. En als er dan wordt teruggegrepen op de geschiedenis om het eigen standpunt kracht bij te zetten, dan moet de context wél duidelijk zijn. Onduidelijkheid leidt soms tot rampzalige gevolgen. Vraag dat maar aan Philipp Jenninger.
Toen hij voorzitter van de Duitse Bondsdag (vergelijkbaar met onze Tweede Kamer) was, maakte Jenninger in een toespraak ter herdenking van de Kristallnacht gebruik van de ‘vrije indirecte rede’. Een stijlmiddel waarin ‘citaataanduiders’ (essentieel voor het neerzetten van het juiste historische kader) ontbreken. Toehoorders beluisterden in zijn rede antisemitische uitspraken en Jenninger moest aftreden.
In werkelijkheid had hij echter geen goed woord overgehad voor de politiek van de nazi’s. Hoe kon het politiek zo noodlottige misverstand dan ontstaan?
Om de houding van het Duitse volk tijdens de oorlog te schetsen, zei Jenninger onder meer: ‘En wat de joden betrof: hadden die zich in het verleden niet een rol aangematigd die hen niet toekwam? Moesten zij niet eindelijk eens wat beperkingen accepteren?’
Formuleringen als deze veroorzaakten het fatale misverstand. Waar Jenninger in de ’vrije indirecte rede’ anonieme Duitsers aanhaalde, vatte zijn gehoor deze uitspraken op alsof ze van hemzelf waren. Dit was een direct gevolg van de vrije indirecte rede – een stijlfiguur die verteller en personage zo dicht bij elkaar brengt, dat het onderscheid vervaagt.



