@Geschiedenisgek

Persoonlijke bespiegelingen op de (vaderlandse) geschiedenis

Archive for november 2011

Hoe de slager van Praag aan zijn einde kwam

laat een bericht achter »

In september 1941 werd Reinhard Heydrich – tot dat moment rechterhand van Heinrich Himmler – door Hitler tot ‘Plaatsvervangend Rijksprotector’ in Tsjecho-Slowakije benoemd. Hitler drukte deze benoeming eenzijdig door omdat de toenmalige ‘Protector’ – Von Neurath – zwak, ziek en inefficiënt was. Bovendien waren er signalen dat er serieuze moeilijkheden te verwachten waren van de kant van het verzet. Hitler had een harde hand nodig om een mogelijke opstand snel en efficiënt de kop in te drukken.

Een mandaat als moordenaar

Reinhard Heydrich, berucht nazi-leider uit de Tweede Wereldoorlog

Reynhard Heydrich

Heydrich zag wel iets in zijn mandaat als moordenaar. Hij zag het voornamelijk als een bijzonder soort van vermaak, waar hij lang van zou kunnen genieten.  Dit kon gebeuren door een zeer geleidelijke ‘selectie’ van hen die jood of van het Slavische ras waren aan hem door te sturen voor ‘verhoor’.  Het was echter niet uitsluitend dit persoonlijke ‘genoegen’ dat zijn aandacht vroeg. De Skoda-wapenfabrieken vormden een belangrijk onderdeel van de oorlogsinspanningen van het Derde rijk en moesten op volle kracht draaiende worden gehouden. Arbeiders die daar werden weggenomen, moesten worden vervangen. Een forse uitdaging, die nog eens groter werd doordat de verzetsbeweging er veel aanhang had.   Heydrich omzeilde deze klippen bijzonder slim door de vlees- en vetrantsoenen in de wapenindustrie te verhogen. Daarmee hoopte hij de verzetsbeweging de wind uit de zeilen te nemen en alle argwaan weg te nemen.

Daarna voerde hij zogenoemde ‘Röntgeneenheden’ in. Zogenaamd om dieetanalyses te maken, maar in werkelijkheid informatie-vergaarders. Zoals verwacht, verzamelden zij alle geschikte informatie . Voor het ogenblik werd daar zeer behoedzaam gebruik van gemaakt. Slechts een paar generaals van het verzet werden gearresteerd, voor een krijgsraad-te-velde gebracht en direct geëxecuteerd. Daarna volgde een korte rustperiode, alsof alle te nemen (strenge) maatregelen al achter de rug waren. Foutje! Die begonnen nu pas echt.

Tussen eind oktober en begin december 1941 maakte Heydrich bekend dat alle joden in Bohemen en Moravië (de ‘nieuwe’ naam voor Tsjecho-Slowakije) ’naar het oorsten’ zouden worden gedeporteerd. Als tussenstation fungeerde Theresienstadt – toen nog maar nauwelijks bekend, later een berucht doorgangskamp op weg naar Auschwitz. Als direct gevolg van deze maatregelen werd het Tsjechische verzet actiever.

Tijdelijke ‘defecten’
De wapenfabrieken kregen last van tijdelijke ‘defecten’. Onverklaarbare gebreken aan de machinerie, kleine explosies en mysterieuze vergissingen in blauwdrukken en bouwtekeningen. Er ontstonden vertragingen in de aankomst van treinen met voedsel voor de bezettingsmacht. Er gebeurde een ‘ongeluk’ waarbij een SS’er gewond raakte doordat er een stuk van een gebroken winkelpui naar beneden kwam. Voor Heydrich was de maat vol.

Heydrich ontbood een van zijn meest efficiënte topofficieren van de  SS – Obergruppenführer Schacht-Isserlis – en overhandigde hem 100 dossiers, samengesteld door de Gestapo. ‘Dat zal wel genoeg zijn om als voorbeeld te dienen’, zei Heydrich. ‘Een publieke executie… op het plein voor de kathedraal, denk ik. De Reichsführer SS zal erbij aanwezig zijn.’ In de notities van Schacht-Isserlis staat vermeld dat in Heydrichs ogen een ‘verschrikkelijk ijzige gloed’ lag.

Een golf van terreur
Deze executie was slechts het begin van een golf van terreur die op initiatief van Heydrich in Praag – en daarmee in feite in heel Bohemen-Moravië – werd ontketend. Het was deze krankzinnige politiek  die erop gericht was om de 30 miljoen Slaven en joden van Oost-Europa in totaliteit uit te roeien. ‘Er zal ruimschoots plaats voor hen zijn in Rusland, als de Russische landen in handen van de Wehrmacht vallen’, zei hij doodleuk. Terwijl totale uitroeiing en beslist geen deportatie zijn uiteindelijke doel was.  De crematoria van Theresienstadt – zogenaamd een ‘doorgangskamp – maakten ook toen al overuren.

In het protectoraat van Heydrich, waar hij als de ‘onderkoning’ van de Führer vrijwel onbeperkte macht bezat, nam de vijandelijkheid in snel tempo toe. Het opperbevel van de Tsjechische verzetsbeweging besloot vanuit Londen dat Heydrich moest worden vermoord.

Twee Tsjechische vrijwilligers – Jan Kubis en Josef Gabcik – kregen in Engeland een commando-opleiding. Begin 1942 werden zij per parachute in de buurt van Praag gedropt. De

Jan Kubis, een van de daders van de moordaanslag op Heydrich

Jan Kubis

Gestapo was weliswaar op de hoogte van hun komst, maar zij wisten niets van het doel van hun actie. Daarom gaf Himmler het bevel dat zij niet mochten worden gearresteerd voordat duidelijk was wat zij precies van plan waren.
Als zij de tijd kregen, was Himmlers overtuiging, kon men hen in de val laten lopen bij de uitvoering van hun plannen. Veel nuttiger dan wanneer zij direct zouden worden opgepakt. Een van de zeldzame strategische fouten van de Gestapo.

De aanslag
Vanaf zijn aantreden pendelde Heydrich regelmatig per vliegtuig naar Berlijn. Hij werd dan altijd via dezelfde weg naar het vliegveld gereden. In die weg lag een steile helling van de stad tot aan de Moldau, terwijl er een scherpe haarspeldbocht van zestig graden moest worden genomen als men de brug over de rivier naderde. In die bocht konden auto’s slechts stapvoets rijden. Voor een geoefend schutter met een automatisch wapen was het risico hem te missen bijna minimaal. Dit risico werd afgedekt: als gabcik met zijn sten miste, had Kubis een handgranaat beschikbaar.

Op 27 mei 1942 was het zover.

‘Heydrich was niet bang voor een aanval op zijn persoon,’ zegt zijn biograaf. ‘In alle jaren dat hij hoofd van de Gestapo en de SD was geweest, had hij het volste vertrouwen in de vakbekwaamheid van de geheime politie’.  Ook als Rijksprotector bleef hij volkomen onverschillig voor de dreiging van een moordaanslag.  Hij minachtte de ‘kleinburgerlijke’ Tsjechen openlijk.  Zij hadden niet het lef om zoiets te doen.
Terwijl Hitler, Göring en vooral Himmler in zwaar gepantserde auto’s (met ruiten van vier lagen kogelvrij glas) reisden,  verplaatste Heydrich zich het liefste in een Mercedes-cabrio. Hij had geen bescherming, uitgezonderd de handwapens die hij en zijn vaste chauffeur, Oberscharfführer Klein, bij zich droegen.

Toen Kubis en Gabcik de auto zagen naderen, wisten zij dat er nauwelijks sprake was van gevaar. Op het moment dat de auto langzaam draaide en in de bocht op gelijke hoogte met de beide verzetsmensen kwam, richtte Gabcik zijn wapen. De ironie van het noodlot zorgde ervoor dat de sten op onverklaarbare manier weigerde. Kubis reageerde automatisch op het falen van Gabcik. Hij wierp zijn handgranaat naar de wagen. De ontploffing kwam toen Heydrich juist uit de auto sprong.  Na enige tijd verschenen er twee SS’ers die, samen met de chauffeur, Heydrich achter in een bakkerswagen legden. Hij stierf acht dagen later aan bloedvergiftiging.

 

Er kwamen direct represailles. In het wilde weg werden gijzelaars opgepakt en doodgeschoten. Er werd een beloning van 1.000.000 Tsjechische kronen uitgeloofd voor de gevangenneming van de moordenaars. Die hielden zich weken schuil in de crypte van de Griekse Orthodoxe kerk.  Maar uiteindelijk werden zij toch opgepakt en doodgeschoten.

 

 

Geschreven doorGeschiedenisgek

november 30, 2011 op 9:41 am

De grootste landverrader uit de Tweede Wereldoorlog

laat een bericht achter »

Anton van der Waals

Rondom gewapende conflicten en oorlogen kom je ze altijd weer tegen: landverraders en collaborateurs. In de Tweede Wereldoorlog waren het voornamelijk NSB’ers die in meer of mindere mate steun gaven aan de bezetter. Anton van der Waals wordt de grootste Nederlandse landverrader uit de Tweede Wereldoorlog genoemd. Tijdens het proces tegen hem was er voldoende bewijs voor zijn schuld aan de arrestatie van 83 verzetsstrijders, waarvan er 38 werden geëxecuteerd.

Anton van der Waals werd op 11 oktober 1912 geboren in Rotterdam. Al in zijn tijd op de lagere school stond hij bekend als ‘verklikker’. Op het moment dat Nederland door nazi-Duitsland werd bezet, kwam het relatief snel tot samenwerking tussen Van der Waals en de Sicherheitsdienst (SD).

Samenwerking met de Duitse contraspionage
Door tussenkomst van de Rotterdamse afdeling van de SD had Van der Waals half april een eerste ontmoeting met Joseph Schreierder, bevelhebber van de Duitse contraspionage aan het Haagse Binnenhof. Deze afdeling zou Van der Waals vier jaar lang inzetten als ‘V-mann’; een Vertrauensmann die in opdracht van de Duitse bezetter infiltreerde bij de illegaliteit.

Zijn eerste opdracht – het vinden van de dader van een aanslag op een Duitse spoorwegbeambte in Haarlem – voerde hij zo snel uit, dat hij een premie kreeg van 5.000 gulden. Ook kwam hij in vaste dienst bij de SD.

Van der Waals kreeg zeer gedetailleerde briefings over de groepen waarop hij zich moest richten. Doordat hij over het talent beschikte om het vertrouwen van zelfs de meest argwanende illegale werkers te winnen, wist Van der Waals velen te laten geloven dat hij contacten met de Britten onderhield. Ook zou hij verzetsmensen daarheen kunnen smokkelen.

Doordat iedere vorm van contact met Groot-Brittannië toen nog ontbrak, slaagde hij er op deze manier in om bij heel veel illegale organisaties binnen te dringen.

De slachtoffers
Groepen die Van der Waals hielp op te rollen waren onder andere die rond J.M. Somer (vanuit Londen georganiseerde Inlichtingen Dienst), J. Kwak (Vrij Nederland), W.J.M.J. d’Aquin, Kees Dutilh en W. Pahud de Mortanges. Van der Waals wist ook door te dringen tot de sociaaldemocratische voorman Koos Vorrink, die eveneens geen enkel wantrouwen koesterde.

Uit zelfbescherming werkte Van der Waals onder verschillende schuilnamen, zoals ‘De Wilde’, ‘De Graaf’ en ‘baron Van Lynden’. Daarnaast wisselde hij veelvuldig van adres.

Englandspiel
Vanaf maart 1942 lukte het de SD om tientallen agenten en marconisten – samen met hun zenders – te onderscheppen. De marconisten werden gedwongen voor de Duitsers boodschappen naar Engeland over te seinen. Dit om de indruk te wekken dat er in Nederland actief verzet werd gepleegd.

Dit was het zogeheten Englandspiel. Van der Waals was ook hierbij actief betrokken, maar wel in een ondergeschikte rol.

Van der Waals ‘overleden’
Ondanks alle voorzorgsmaatregelen begon het wantrouwen toch toe te nemen. De Rotterdamse SD liet daarom op 19 juli 1943 een bericht in de krant opnemend dat de V-mann bij een moordaanslag door het verzet om het leven was gekomen. Er werd zelfs een beloning uitgeloofd voor de opsporing van de dader(s).
Kort daarop ondernam Van der Waals een van zijn laatste missies.

In september 1943 ging hij met een vrachtschip naar het neutrale Zweden. Het was de bedoeling dat hij zou nagaan of er illegale contacten tussen Zweden en Nederland bestonden. Weliswaar had hij in Stockholm allerlei ontmoetingen, maar tot concreet resultaat kwam het niet.
Na uit Zweden te zijn teruggekeerd, maakte de SD geen gebruik meer van zijn diensten. Wel werd zijn salaris gewoon doorbetaald.

Na de bevrijding
In maart 1945 vertrok Van der Waals naar het Drentse Zuidlaren. Kort na de bevrijding meldde hij zich bij de Canadese Field Security, die hem vervolgens weer overdroeg aan de Britse Special Counterintelligence. Daar was bekend dat hij voor de SD had gewerkt.

Dit gegeven maakte hem bij uitstek geschikt om in het bevrijde Duitsland te infiltreren in ondergrondse nazi-kringen (de zogeheten ‘Weerwolf-organisaties’) waarvoor bij de geallieerden een irreële angst bestond.  Met de hulp van L. Einthoven, hoofd van het Bureau Nationale Veiligheid, voerde hij onder Duitse naam missies uit in Duitsland.  In Nederland waren intussen twee Rotterdamse slachtoffers van Van der Waals actief bezig hem op te sporen. Begin 1947 was Van der Waals terug in Nederland; nu als gevangene.

Anton van der Waals in de zaal van het Bijzonder Gerechtshof te Den Haag. Voor zijn activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij ter dood veroordeeld. Foto: geschiedenis24.nl

Anton van der Waals in de rechtzaal

In april 1948 stond Van der Waals onder grote belangstelling terecht voor het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag. Schreierder was kroongetuige, maar óók belangrijke Nederlanders als Vorrink (intussen voorzitter van de Partij van de Arbeid) en de burgemeester van Rotterdam – P.J. Oud – traden als getuige op. Van der Waals belangrijkste ‘verweer’ was dat hij zijn werkzaamheden zou hebben verricht in opdracht van Emile Verhagen alias ‘John’ of ‘Johnny’, een agent van de Britse Secret Service. Het Bijzonder Gerechtshof achtte evenwel bewezen dat hij rechtstreeks verantwoordelijk was voor de arrestatie van 83 mensen, waarvan er 38 waren omgekomen en dat er geen spoor van bewijs was van het bestaan van Verhagen.

Het Hof kwalificeerde Van der Waals als een ‘uiterst geraffineerd en verraderlijk intrigant, wiens door en door gevoelloze natuur het ten enenmale onverschillig liet, welke middelen door hem bij het door hem nagestreefde eigenbelang zouden moeten worden toegepast en die voorts … bezeten was van een fanatieke haat tegen de illegaliteit.’

Van der Waals motieven voor verraad zijn tijdens en na het proces nooit duidelijk geworden.  Hoewel hij al vroeg lid was geworden van de NSB, speelde de nationaal-socialistische ideologie bij Van der Waals geen enkele rol.  Zijn bijzondere vermogen om tijdens de oorlog het vertrouwen van onbekenden te winnen, leidde tijdens de oorlog tot verraad.

Van der Waals werd ter dood veroordeeld. In de nacht vóór zijn executie op 26 januari 1950 bekende hij schuld aan de tenlastelegging; Emile Verhagen had hij verzonnen. Anton van der Waals was één van de in totaal 34 Nederlanders die voor hun optreden tijdens de Duitse bezetting ter dood werden gebracht.

Geschreven doorGeschiedenisgek

november 21, 2011 op 12:42 pm

Propaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog

laat een bericht achter »

In de Eerste Wereldoorlog hebben de strijdende partijen heel hard hun best gedaan om in de neutrale wereld begrip te kweken voor hun zaak. Dat is dus propaganda: berichtgeving met een schijn van objectiviteit, waarbij het goede van de ene partij het moet winnen van het slechte van de tegenstander. Tegenwoordig noemen we dit ook wel public relations.

Nederland en de media
Het is de Nederlandse pers pas in het begin van de 20e eeuw gelukt om het grote publiek te bereiken. Daarvoor maakte het in 1869 afgeschafte dagbladzegel kranten voor de massa veel te duur. Toen er meer kranten werden gelezen, kwamen er vanzelf ook betere redacteuren.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging de Nederlandse regering nog niet over tot het instellen van perscensuur. Wel werd redacteuren dringend verzocht terughoudendheid te betrachten bij hun berichtgeving over de oorlog. Wie te ver ging, liep kans op vervolging op grond van de artikelen 98 en 100 van het Wetboek van Strafrecht over staatsgeheimen en het (bewust) in gevaar brengen van de Nederlandse neutraliteit.
Het dagblad dat zich het minst aantrok van deze richtlijn was De Telegraaf, dat al vanaf 1902 sensationeel nieuws bracht.

Tekening van Louis Raemaekers op de omslag van het prentenalbum  Het Topppunt der beschaving, uitgave Elseviers 1915.In juni 1916 werd toenmalig hoofdredacteur Schroeder gearresteerd omdat hij had geschreven over gewetenloze schurken in het centrum van Europa, die onschadelijk moesten worden gemaakt. Hiermee had hij doelbewust de Nederlandse neutraliteit in gevaar gebracht. Hetzelfde gebeurde toen hij enige tijd later in een artikel de smokkelhandel over de Duitse grens aan de kaak had gesteld. In al die jaren verschenen in deze krant anti-Duitse karikaturen van Louis Ramaekers, die vaak werden overgenomen door de Britse pers.

Het is nooit aangetoond dat De Telegraaf  Brits geld zou hebben aangenomen. De pro Britse houding zou zijn ingegeven door de financiële belangen van de aandeelhouders en de positie van Shell. In gebieden waar de Staat van Beleg was afgekondigd, kon strenger tegen de pers worden opgetreden. Meestal in de vorm van een waarschuwing.

Eens werd een Eindhovens blad voor zes dagen geschorst na te hebben bericht dat de Duitse marine in Zeeland zes vissersschepen in de grond had geboord. Overigens hadden toen al 88 Nederlandse zeeschepen hetzelfde lot ondergaan.

De Toekomst: het eerste pro-Duitse blad van Nederlandse bodem

De Toekomst, een in 1914 opgericht blad, was de eerste Nederlandse publicatie die er geen geheim van maakte dat het belangrijk was dat Duitsland moest worden gesteund: ‘Pas als Duitsland de oorlog wint, komt er rust in Europa’. Men wilde doen uitkomen dat er ‘ook Nederlanders zijn, die de Duitsers niet haten’. Duitsland had geen plannen om Nederland in te lijven; de bezetting van België was een Kriegsnotwendigkeit. Hadden de Britten niet het neutrale Griekse eiland Lemnos bezet en als basis gebruikt voor hun acties op het schiereiland Gallipoli. Gemakshalve werd er maar niet bij vermeld dat de regering van het toen nog neutrale Griekenland toestemming had verleend voor deze operatie.

De Toekomst ondersteunde ook de Duitse Flamenpolitik en het pro-Duitse streven van dominee Domela Nieuwenhuis in Gent.  Duitse agenten bemoeiden zich niet met de inhoud van De Toekomst. Wel kochten zij de helft van de oplage van 2.500 exemplaren op voor distributie in België, betaalden zij voor de verzending naar Nederlands-Indië en had het blad advertenties van Duitse bedrijven. Toen in mei 1940 de Duitsers Nederland bezetten, verloor de toenmalig hoofdredacteur zijn geloof in de Duitse zaak.

De Nederlandse publieke opinie

Het is interessant om eens te kijken naar de publieke opinie in het Nederland van die tijd. In grote lijnen ging men ervan uit dat Rotterdam vanwege de economische verbondenheid met Duitsland wel pro Duits zou zijn en Amsterdam – door alle financiële belangen – pro Brits.

De gegoede middenstand, met vooral in Duitsland zakelijke belangen, gold ook als pro-Duits, al was het alleen maar omdat men niet op een Duitse zwarte lijst terecht wilde komen. Dit gold ook voor onze land- en tuinbouw.  De academische wereld was sterk op Duitsland georiënteerd. Circa 60% van alle gebruikte studieboeken waren Duits. Het Nederlandse officierskorps had overwegend bewondering voor het Pruisische militarisme. Binnen de lagere rangen lag dit anders. Ook eenvoudige arbeiders zouden niet veel voor Duitsland voelen.

Wat de oorlog zelf betreft, ging de meeste waardering uit naar de Fransen, die in 1914 heet leeuwendeel van de gevechten moesten leveren en ondergaan. Het meeste oorlogsnieuws kwam van agentschappen als Reuters en Havas. Ook leverden de strijdende landen zelf aanvullende informatie en propaganda.

Geschreven doorGeschiedenisgek

november 14, 2011 op 7:26 pm

De Eerste Wereldoorlog als ‘vuile’ oorlog

laat een bericht achter »

Ook Nederland had daar in de laatste oorlogsjaren veel last van. Niet door gevechtshandelingen, maar door een chronisch gebrek aan zeep.

Zeep werd schaars en duur. Omdat de volksgezondheid in het geding kwam, greep de regering in. Zeepfabrieken mochten alleen nog maar zogenaamde ‘regeringszeep’ produceren. Huisvrouwen moesten zich behelpen met karige zeeprantsoenen en met surrogaatzeep.

Vooral kleizeep was berucht. Ook doken er op veel plaatsen zeepvervalsingen op.Zeep werd vervangen door kleizeep. Dit bestond uit een kleibasis met daaroverheen zand.

In naam van Oranje, de zeep die wordt schaars
Zo klagen de vrouwen niet min
Je broek wordt zo goor en je hemd dat ziet paars
Je krijgt er geen grond haast meer in
Een half onsje zeep, het is niet te groot
Men krijgt last van vlooien, je krabt je nog dood
In naam van Oranje, dat grote gespuis
Die hebben van alles in huis!

(Straatliedje, 1918)

In 1893 schafte de Nederlandse regering de accijns op zeep voor dagelijks gebruik af. Dit leidde tot een enorme toename van het aantal zeepfabrieken in Nederland. De markt raakte in de kortste keren oververzadigd. Bij het uitbreken van de oorlog maakten de zeepfabrieken – net als trouwens de meeste andere takken van de industrie – een moeilijke tijd door. Veel arbeiders moesten hun werkplek door de mobilisatie verlaten.

Naarmate de oorlog in tijd vorderde, werden er steeds minder grondstoffen aangevoerd. Als direct gevolg stegen de prijzen – ook voor zeep – onrustbarend. Een huisvrouw verzuchtte in het blad De Proletarische Vrouw (november 1916):

[…] We moeten wasschen – elke week hebben we zeep, bleekpoeder, zeeppoeder noodig, dat is alles 2,3,4 maal zoo duur geworden, maar daar je je goed niet ongewasschen kunt laten, koop je het “.

In de loop van 1917 verslechterde de aanvoer van grondstoffen zodanig, dat de regering zich gedwongen zag in te grijpen. Ze had daarvoor het instrument van de Distributiewet. Deze wet was al op 19 augustus 1916 van kracht geworden, maar werd aanvankelijk slechts gebruikt om het hoofd te bieden aan de toenemende voedselschaarste.

Boeren hielden hun voorraad vast om ze later tegen hogere prijs te kunnen verkopen. Handelaren exporteerden liever naar Duitsland, waar ze veel hogere prijzen kregen, dan wanneer zij hun producten in Nederland verkochten. Voor grote groepen van de bevolking werden dagelijkse levensmiddelen onbetaalbaar.

De vrije markt van goederen werd opgeheven
Met de Distributiewet kreeg de regering de bevoegdheid de productie en handel van door haarzelf aangewezen goederen geheel te controleren en voorraden in beslag te nemen. De vrije markt van goederen werd opgeheven.

Alle eerste levensbehoeften waren tijdens de Eerste Wereldoorlog schaars of op de bonOp de lijst van 20 artikelen die direct onder de Distributiewet werden geplaatst, stonden naast dagelijkse levensmiddelen als tarwe, aardappelen, groenten, vlees en boter, ook turf en zachte zeep.

Kort na het van kracht worden van de Distributiewet, waren veel levensmiddelen alleen nog maar op de bon verkrijgbaar. Voor zeep dacht men aanvankelijk door het instellen van andere maatregelen de dreigende schaarste de baas te kunnen worden.

Toen er echter geen verbetering in de situatie optrad, ging de regering in 1917 eveneens over tot rantsoenering van zachte zeep. Iedere Nederlander kon maandelijks een halve kilo regeringszeep kopen tegen een vastgestelde prijs.

“Een schraal rantsoen, dat heel veel huisgezinnen zal nopen tot matiging in het schrobben en boenen”, meende de Amsterdamse wethouder Wibaut, die belast was met de distributie van levensmiddelen en huishoudelijke artikelen in de hoofdstad.

Toch kon ook dit rantsoen niet gehandhaafd blijven. In de loop van het jaar werd het verlaagd naar250 gram per maand; later zelfs naar200 gram. En zelfs die hoeveelheid kon enkele malen niet worden verstrekt.

Zeepgebrek is heel slecht voor de volksgezondheid
In kringen van de ‘gegoede burgerij’- die de was meest buiten de deur lieten doen, vielen de problemen absoluut mee. Maar voor degenen die het allemaal niet konden betalen – en dan heb je het over de overgrote meerderheid van de bevolking – zag het er somber uit.

Dat de volksgezondheid in gevaar kwam, bleek door de aanzienlijke toename van huid- en andere ziektes. Vooral in de grote steden nam in 1917 het aantal gevallen van schurft aanzienlijk toe. De ziekte wordt veroorzaakt door de schurftmijt, die zich helemaal lekker voelt in slecht gewassen kleding en beddengoed.

Het Nederlandse leger stinkt
Ook het leger kreeg in 1918 te maken met de schaarste aan zeep. De onderkomens van de gemobiliseerde soldaten waren natuurlijk toch al niet het toonbeeld van reinheid, maar de situatie werd nu echt ernstig.

Vanaf mei 1918 liet de verstrekking van zeep aan het gemobiliseerde leger ernstig te wensen over. Daarop beval de opperbevelhebber van land- en zeemacht dat de in de militaire magazijnen aanwezige voorraad uitsluitend nog mocht worden uitgegeven aan ‘de hospitalen en ziekenstallen voor de verzorging van mens en dier’.

Voor de persoonlijke verzorging van de manschappen werd in plaats van zachte zeep nu zeeppoeder verstrekt. Het rantsoen was echter zo klein dat een soldaat zich daarvan onmogelijk schoon kon houden.
Het gevolg was dat de manschappen soms dagenlang geen zeep kregen uitgereikt en zich gedurende die tijd ook niet konden wassen.

Echt erg was het gesteld in fort Markenbinnen bij Krommenie, waar de bezetting – ondanks herhaalde verzoeken van de commandant – eind september 1918 al meer dan drie maanden verstoken was van zeep. A.M. de Jong overdreef dus niet toen hij de hoofdpersoon van zijn mobilisatieroman tijdens een treinreis liet kennismaken met ‘twee ongemeen vervuilde vestingartilleristen’.

De hygiëne binnen de Nederlandse strijdmacht werd berucht. De socialistische krant Het Volk schamperde op 3 augustus 1918:

‘Zeep wordt nog steeds niet verstrekt, ook ontvangen de militairen hiervoor geen bons. Het Nederlandsche leger kan men voortaan waarnemen door middel van den neus. Zien hoeft de vijand het niet meer; hij kan het voortaan ruiken’.

Gelukkig hoefde dit niet in de praktijk te worden getest. Toen na de wapenstilstand van 11 november 1918 een einde had gemaakt aan alle gevechten, werd ook het Nederlandse leger gedemobiliseerd. Eenmaal thuis werd alles- ook het wekelijkse bad met veel schuimend zeep -  snel weer normaal.

Geschreven doorGeschiedenisgek

november 11, 2011 op 2:03 pm

Klein nieuws uit de Eerste Wereldoorlog

met één reactie

  • Naar schatting 30 procent van alle projectielen die tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn afgevuurd, kwam nooit tot ontploffing. Daarom wordt in West-Vlaanderen nog jaarlijks ongeveer 250 ton aan niet-ontplofte munitie teruggevonden.
  • Duitsland, Oostenrijk, Bulgarije, Hongarije en Turkije mochten niet meedoen aan de Olympische Spelen die in 1920 in Antwerpen werden gehouden. Dit als gevolg van hun aandeel in de Eerste Wereldoorlog.
  • Duitsland moest in 1914 ongeveer 36 miljoen mark per dag uitgeven om alle oorlogsinspanningen te kunnen financieren. In 1918 was dit bedrag opgelopen tot 146 miljoen mark per dag.
  • Cort van der Linden (premier van Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog) werd door Engelse critici ook wel ‘Caught unter den Linden’ genoemd vanwege zijn vermeend pro-Duitse houding.
  • De zomertijd werd door de Duitse regering ingevoerd in 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hierdoor bleef het ‘s avonds langer licht en kon men bezuinigen op gas en elektriciteit. Bovendien konden de kantoormensen, die een tuintje hadden, ‘s avonds een uur langer werken en daar, bij de toenemende schaarste aan voedsel, aardappelen en groente kweken. Zo kon de Duitse zomertijd worden voorgesteld als een wapen tegen de Engelse hongerblokkade.
  • Op 4 augustus verklaarde Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland. De volgende dag kwam de Britse Oorlogsraad voor het eerst bijeen. Verschillende aanwezige hoge militairen dachten dat Nederland al bij de oorlog betrokken was. Pas tijdens deze vergadering ontdekten zij dat Luik niet in Nederland maar in België lag.
  • De Duitse vuurkracht bij de Slag bij Verdun in februari 1916 omvatte 1.200 kanonnen waarvoor   2.5 miljoen granaten beschikbaar waren die door 1.300 munitietreinen waren aangevoerd.
  • Bij de slag om Gallipoli hadden de Engelse troepen te weinig munitie. Om het toch zo lang mogelijk vol te kunnen houden, mocht er alleen maar worden gevuurd als de tegenstander dat ook deed. Anders niet.

    Slag om Gallipoli

    Het tekort aan Britse munitie tijdens de Slag bij Gallipoli (1915) was zo groot dat het de kanonniers ten strengste was verboden meer dan twee granaten per dag af te vuren, tenzij de Turken in de aanval gingen.

  • Voor de Slag aan de Somme – die op 1 juli 1916 begon – waren 18 Britse divisies, bestaande uit 234 bataljons met in totaal meer dan 225.000 man beschikbaar voor het
    Zelden zijn er in één veldslag zoveel nutteloze slachtoffers gevallen als aan de Somme.

    Slag om de Somme

    openingsoffensief.

  • Bij de openingsdag van de Slag aan de Somme werden 143 Britse bataljons ingezet. Een volledig bataljon (1.000 manschappen) had 800 man voor gevechtshandelingen beschikbaar. De effectieve gevechtskracht van die dag was dus 115.000 man. Het verliescijfer van deze rampzailige eerste dag was maar liefst 50%. Het zwaarste verlies dat de Britten ooit hebben geleden op één enkele dag tijdens de oorlog.
  • Aarsthertog Franz Ferdinand van Oostenrijk stierf op 28 juni 1914 mede als gevolg van zijn ijdelheid. Hij liet zijn uniform met naald en draad dicht rijgen om er slanker uit te zien. Toen hij bij Sarajevo werd neergeschoten, bloedde hij dood voordat er een schaar was gevonden om hem uit zijn kleding te knippen.
  • De Spaanse griep eiste in 1918 binnen vier maanden meer mensenlevens dan de oorlog in vier jaar. De oorlog kostte 9,5 miljoen mensen het leven; de Spaanse griep eiste 50 miljoen slachtoffers.
  • Bij de laatste grote Franse tegenaanval tijdens de Slag bij Verdun werden in de laatste week van oktober 1916 per dag 240.000 granaten afgevuurd. Op een ‘gewone’ dag was dit ongeveer 100.000. Tijdens de Slag bij Verdun hebben de Fransen naar schatting 23 miljoen granaten gebruikt. De Duitsers vast en zeker niet minder.

Geschreven doorGeschiedenisgek

november 8, 2011 op 7:27 pm

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.