Archive for oktober 2011
De naam is Bertha… Dicke Bertha
Op 21 maart 1918 begon het Duitse leger aan de Kaiserslacht. Een laatste ‘wanhoopsoffensief’ waarmee men dacht de oorlog in het westen winnend af te kunnen sluiten. Twee dagen later kwamen er granaten neer in Parijs … 120 km verwijderd van de dichtstbijzijnde frontlijn.
Parijs in 1918
Op 23 maart 1918 werd Parijs vanaf ongeveer half 8 in de ochtend iedere 15-20 minuten opgeschrikt door granaatinslagen. Er vielen burgerslachtoffers. Het luchtalarm klonk, mensen zochten dekking in schuilkelders, het openbare leven kwam razendsnel tot stilstand.
Dit alles verschafte de Franse media het argument dat de oorlog hoe dan ook moest worden volgehouden. Het sluiten van vrede was met dergelijke ‘barbaren’ geen optie.
Natuurlijk begonnen de Franse autoriteiten direct aan een onderzoek. Bij nadere inspectie van de kraters werden stukken van granaten teruggevonden. Deze fragmenten maakten al snel duidelijk dat het hier niet om (verdwaalde) vliegtuigbommen ging. Het ging om granaten die met behulp van een kanon waren afgevuurd. Aan de hand van het patroon van de inslagen werd vervolgens bepaald dat ze uit noordoostelijke richting waren afgevuurd.
Artillerie-experts van het Franse leger kwamen uiteindelijk uit bij Laon, ruim100 kilometer van Parijs.
Een nieuw Duits monsterkanon
Als er sprake is van een nieuw Duits kanon, dan wordt er als vanzelfsprekend gekeken naar de Duitse wapenfabrikant Krupp uit Essen. In die tijd bekent als der Kanonenkönig.
De artillerieafdeling werd indertijd geleid door professor Fritz Rausenberger. Nu vrijwel vergeten, maar in de Eerste Wereldoorlog zeker geen anonieme figuur. Hij was onder meer de ontwerper van de 420 mm houwitsers die in augustus 1914 de forten van Luik in puin schoten.
De kanonnen zijn bekend als de Dicke Bertha’s, genoemd naar Bertha Krupp. Zij was de erfgename van het Kruppconcern en de echtgenote van de leider van de Krupp fabrieken Gustav Krupp von Bohlen und Halbach.
Rausenberger en zijn medewerkers waren gefascineerd door het vooruitzicht steeds grotere kanonnen met langere schotsafstanden te ontwerpen. In een interview met de New York Times van 1 maart 1916 sprak hij vol vertrouwen uit Engeland vanaf het continent te willen gaan bombarderen. Eventuele morele bezwaren – vanwege het mogelijk treffen van burgerdoelen – kwamen niet ter sprake.
Na gesprekken met de Duitse legerleiding kregen de firma Krupp en professor Rausenberger in 1916 het groene licht om het lange afstandskanon te gaan bouwen. Er werden veel berekeningen gemaakt over de voortstuwing en de baan van het projectiel. Daarbij werd met alles rekening gehouden. Vooral met de sterke corrosie van de loop die optrad nadat er een schot was afgevuurd. Dit maakte dat de loop na 65 schoten terug moest naar de fabriek. Pünktlich en gründlich werden alle ervaringen tijdens proefnemingen vastgelegd in schiettabellen.
Het effect van de beschietingen
De beschietingen op Parijs vonden plaats tussen 23 maart en 9 augustus 1918. De meeste granaten (circa 190 stuks) werden afgevuurd van een plek bij Crépy-en-Laonnais.Omdat de lopen na 65 schoten waren versleten, was het in de maand mei circa 4 weken rustig in Parijs.
Op 8 augustus begon het Britse leger een groot tegenoffensief ter hoogte van Amiens. Toen werd duidelijk dat de Duitse aanval was mislukt. Het Duitse leger moest zich terugtrekken. De beschietingen van Parijs waren voorbij.
In totaal vielen er 367 granaten op de stad. Daarbij kwamen 250 Parijzenaars om het leven en raakten er 620 gewond.
Een nieuwe manier van oorlogvoeren
Meer dan bij werkelijk ander gewapend conflict ook, was de Eerste Wereldoorlog het strijdtoneel van uitvinders en wetenschappers. Geen hoofdrolspelers in de geschiedschrijving, maar daardoor niet minder belangrijk.
In de geschiedschrijving zoals die in Nederland sinds jaar en dag in het onderwijs wordt gebruikt, is er relatief weinig aandacht voor de rol van wetenschappers en technologen tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Traditionele techniek
Toen de oorlog in augustus 1914 begon, werd er gebruik gemaakt van de traditionele technologische middelen: treinen voor het vervoer van troepen en materieel, snelvurende artillerie, machinegeweren en een nieuwe generatie explosieven, zoals dynamiet en buskruit.
Van de strijdende naties was de ene verder met de toepassing van nieuwe techniek dan de andere. In deze ontwikkeling ging Duitsland voorop. Eind 1914 kwam er een einde aan de ‘bewegingsoorlog’. Beide partijen bleken van vrijwel gelijke kracht; er kwam geen beslissing. De immense vuurkracht van de artillerie dreef de troepen letterlijk de grond in – de manoeuvreerruimte op het slagveld was in één klap verdwenen.
De loopgravenoorlog was begonnen. Een variatie op de klassiek-middeleeuwse belegering: een strijd op de vierkante meter.
Behoefte aan wetenschappelijke hulp
Er moest iets nieuws worden bedacht. Alle strijdende partijen deden een klemmend beroep op hun wetenschappers. Zo werd er bijvoorbeeld door het toenmalige Britse ministerie van Oorlog een circulaire rondgestuurd waarin iedere wetenschapper, die over een ontdekking van militair belang beschikte, uitgenodigd daarvan kennis te geven. Ethische bezwaren speelden geen enkele rol. Wetenschappers en technologen werden aan het werk gezet om nieuwe ideeën uit te werken.
Tijdens de oorlog vond een razendsnelle ontwikkeling plaats op het gebied van transport. Auto’s, vrachtwagens en bussen waren er natuurlijk al, maar ze werden verbeterd. Het
vliegtuig werd – mede door alle inspanningen van Anton Fokker – zo snel ontwikkeld, dat er voor het eerst op grote schaal sprake was van een oorlog in de lucht.
Om de patstelling op de grond te doorbreken, werd druk gezocht naar nieuwe wapensystemen. De meest ingrijpende daarvan was de introductie van gifgas als aanvalswapen.
Begin 1915 testten enkele chemici samen met genieofficieren een aantal chemische stoffen in een laboratorium. Zij kwamen tot de conclusie dat een chemische stof prima de basis voor een zeer effectief wapen zou kunnen vormen. Dit eerste vooronderzoek werd uitgevoerd door twee Britse hoogleraren van het Imperial College in South Kensington in Londen. Het onderzoek zou leiden tot de eerste Britse traangasgranaten die pas in 1916 tijdens de slag om de Somme voor het eerst werden gebruikt.
Het begin van de gasoorlog
De twijfelachtige eer om als eerste met een gifgasoorlog te beginnen komt toe aan de Duitsers. Maar zo zwart-wit als het op het eerste gezicht lijkt, ligt het echter niet.
Al lang voor de Eerste Wereldoorlog werd er gebruik gemaakt van chemische middelen tijdens de vele oorlogen en conflicten die de mensheid heeft uitgevochten.
Zowel de Fransen als de Duitsers experimenteerden in de herfst van 1914 en de winter van 1915 aan het front met traangasgranaten. De effecten waren gering en werden niet of nauwelijks door de troepen opgemerkt.
Maar alle strijdende partijen waren intussen bezig met de ontwikkeling van een chemisch wapen.
De Duitsers begonnen te experimenteren met chloorgas uit cilinders. Dat was een idee van Fritz Haber en leidde ertoe dat de Duitsers op 22 april 1915 bij Ieper 150 ton chloor loslieten.
Niet zo maar wat traangasgranaten naar de tegenstander gooien, maar 150 ton chloor verspreiden. Speciaal voor de gevechten op industriële wijze aangemaakt, verpakt in 6.000 cilinders en door nieuw opgerichte gastroepen verspreid.
Deze eerste gasaanval had groot effect op de Franse troepen en er ontstond paniek. Dat de Duitsers de aanval niet adequaat hebben uitgebuit is overigens weer een totaal ander verhaal. Het was tenslotte pas aan het eind van de middag dat men de aanval inzette. Met wat meer strategisch inzicht had Ieper mogelijk afgesneden kunnen worden, maar dat is wijsheid achteraf.
Speciale gaseenheden bij de Franse en Engelse troepen
De bewapeningsspiraal deed zijn werk. Chloor werd vervangen door het giftiger fosgeen en in juli 1917 werd – opnieuw rond Ieper – voor het eerst mosterdgas ingezet.
De gasoorlog begon met het leeg laten lopen van gascilinders in de richting van de vijandelijke loopgraven. De Britten ondervonden bij hun eerste gebruik van chloorgas tijdens de slag bij Loos in september 1915 dat de wind ook wel eens kon draaien. Daarmee kwam het gas op de eigen stellingen terecht. Om niet langer afhankelijk te zijn van een gunstige wind, werden de gascilinders vervangen door gasgranaten en speciale granaatwerpers, zoals de Livens-projector.
Deze projector bestond uit een vergrote mortier. De gasbom werd elektrisch ontstoken. Bij een gasaanval werden er 25 van deze projectoren op een rij gezet.
William Howard Livens
William Howard Livens wordt beschouwd als de uitvinder van de Britse Special Brigade. Hij was een Brits werktuigkundig ingenieur en kapitein bij de Royal Engineers. Hij ontwierp ook de vlammenwerper voor het Britse leger.
Volgens zeggen was Livens een redelijk eigenzinnig man. Een niet ongebruikelijke eigenschap voor een uitvinder. Zijn naam leeft voort in zijn gaswapen dat voor het eerst succesvol werd ingezet in april 1917 bij de slag om Arras.
Het gebruik van gifgas had een sterk psychologisch effect en zorgde bij de frontsoldaat van die tijd voor veel meer angst dan kogels en granaten. Na de Eerste Wereldoorlog is er uitvoerig gediscussieerd over het gebruik van chemische wapens. Een discussie die tot op de dag van vandaag nog doorgaat. In 1925 besloten de belangrijkste staten in de wereld tot het Protocol van Geneve. Die overeenkomst wordt beschouwd als de eerste belangrijke multilaterale overeenkomst betreffende een verbod op het gebruik van bepaalde wapens (in dit geval gifgassen).
De moord op Walther Rathenau
Zaterdag 24 juni 1922 leek een dag als alle andere. Ook in Berlijn-Grünewald, waar Walther Rathenau, minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek van Weimar, zich opmaakte voor de dagelijkse autorit naar zijn ministerie aan de Wilhelmstrasse.
Die ochtend werd zijn auto ter hoogte van de Königsallee ingehaald door een ander voertuig. Eén van de inzittenden beschoot de minister met een MP-18 machinepistool. Een tweede man gooide een handgranaat naar binnen. De bewindsman overleed vrijwel direct aan zijn verwondingen. De beide hoofddaders – Erwin Kern en Hermann Fischer – kwamen na een lange klopjacht om het leven. De andere medeplichtigen, onder wie de later zeer bekende schrijver Ernst von Salomon, werden tot gevangenisstraffen veroordeeld.
Hervormer
Walther Rathenau (1867-1922) werd geboren als zoon van Emil Rathenau, een prominent Joods zakenman en stichter van de Allgemeine Elektricitäts-Gesellschaft (AEG). Walther studeerde natuurkunde, scheikunde en filosofie in Berlijn en Straatsburg en was korte tijd werkzaam als ingenieur, voordat hij in 1899 werd opgenomen in het AEG-bestuur. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bekleedde Rathenau hoge functies op de afdeling voor grondstoffen van het ministerie van Oorlog. In die jaren zag hij kans de economie van Duitsland op zo’n manier om te vormen dat het land bij machte was de oorlog gedurende vier jaar voort te zetten, ondanks het almaar toenemende gebrek aan werkkrachten en grondstoffen.
Herstelbetalingen
In de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog zat de nog prille Weimarrepubliek met één allesoverheersend probleem: de enorme herstelbetalingen aan Frankrijk en Groot-Brittannië. Rathenau adviseerde de regering in 1920 het zo gehate Verdrag van Versailles niet categorisch te verwerpen. Door te beginnen het verdrag uit te voeren, zou er ruimte ontstaan voor onderhandelingen met de voormalige vijanden. Dit leek de enige manier om de gigantische last van de herstelbetalingen te verlichten.
Kwaad bloed bij nationalisten
In 1921 werd Rathenau benoemd tot minister van Wederopbouw. Op 1 februari 1922 volgde zijn benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken. Zijn vastberadenheid om
Duitsland te verplichten het Verdrag van Versailles te laten nakomen – terwijl hij tegelijkertijd werkte aan het herzien van de bepalingen – zette veel kwaad bloed bij Duitse nationalisten. Hij joeg ze nog eens extra tegen zich in het harnas door de onderhandelingen van het Verdrag van Rapallo met de nog jonge Sovjet-Unie. In dat verdrag werden de Duitse en Russische oorlogsschulden tegen elkaar weggestreept, werden handelsvoordelen afgesproken en kwam het tot een herstel van de wederzijdse diplomatieke betrekkingen. De leiders van de toen nog obscure nazipartij en andere rechtse elementen beweerden dat hij deel uitmaakte van een ‘Joods-communistische samenzwering’.
Dolkstootlegende
Na de oorlog had Rathenau veel vijanden. Zij bestonden voornamelijk uit conservatieve militairen, ambtenaren en industriëlen uit het voormalige keizerrijk. Een groot deel van hen hield consequent de leugen vol dat het Duitse leger onder Hindenburg en Ludendorff ‘im Felde unbesiegt’ was en dat de oorlogsnederlaag was veroorzaakt door de Duitse socialisten die met hun revolutie van 1918 het leger ‘in de rug’ hadden aangevallen. In de roerige jaren na de Eerste Wereldoorlog werd deze ‘dolkstootlegende’ bewust uitgebuit door met name een veteranenorganisatie als Stahlhelm en rechts-extremistische partijen als de Deutschnationale Volkspartei en de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP).
Wraak voor Versailles
Conservatieven en nationalisten verafschuwden de democratische republiek van Weimar en waren uit op wraak voor het ‘smadelijke’ Verdrag van Versailles. Zij haatten politici als Rathenau, die niet alleen bereid leken ‘Versailles’ uit te voeren, maar ook nog eens de moed hadden om verzoening en eenwording te preken. Extreemrechtse groepen gingen steeds meer op zoek naar ‘Novemberverbrecher’ om wraak te nemen. Bij hun haat jegens Rathenau speelde ook nadrukkelijk zijn Joodse afstamming mee.
De moord op Rathenau in 1922 was één van de ongeveer 500 politieke moorden van dat jaar. Vrijwel allemaal gepleegd door daders uit extreemrechtse hoek en gericht op het ondermijnen van de wankele democratie. Aan de andere kant werden rond de begrafenis van Rathenau (op 27 juni) in verschillende Duitse steden spontaan betogingen georganiseerd waar honderdduizenden aan meededen.
Een vroege Europeaan
Walther Rathenau was – als we zijn biografie van Harry Graaf Kessler mogen geloven – een man vol innerlijke conflicten en tegenstrijdigheden. Hij was, volgens Kessler,
een rationeel denkende ondernemer met allerlei ideeën over efficiënte productiemethoden, maar hij verdiepte zich ook in de zielstoestand van de mens. Voordat hij de politiek in ging, was Rathenau naast directeur-generaal van AEG ook commissaris bij 84 grote Duitse ondernemingen. In veel van zijn publicaties nam hij het op voor het proletariaat. Hij was schatrijk, maar pleitte ook voor beperking van het persoonlijk eigendom.
In Rathenaus geest werkten twee tegenstrijdige werelden op volle toeren. Hij was zich zeer bewust van zijn Joodse afstamming, maar tegelijk bewonderde hij Pruisen. Hij besefte heel goed hoe zeer die twee werelden in zijn ziel met elkaar streden.
Al in 1913 had hij concrete plannen om tot een Europese Economische Gemeenschap te komen. Als dat zou gebeuren, dan zou vanzelf de politieke eenwording van Europa volgen en het nationalisme verdwijnen, zo dacht hij.
Aanhangsel of voorgeschiedenis
Stefan Zweig, schreef in Die Welt von Gestern het volgende over het rampjaar 1922:
“Niets was zo noodlottig voor de Duitse republiek dan haar idealistische poging het volk en zelfs haar vijanden alle vrijheid te geven. Want het Duitse volk – een volk van orde – kon niets met die vrijheid beginnen en keek al vol ongeduld uit naar de man die deze vrijheid weer zou wegnemen.”
De veertien jaren van de Weimarrepubliek bevinden zich tussen de periode van het keizerrijk (dat hoogstens halfdemocratisch kon worden genoemd) en de nationaal-socialistische dictatuur van 1933-1945. Ze worden vaak als aanhangsel van het eerste of als een pure voorgeschiedenis van het laatste gezien. Tijdens de Weimarperiode waren er binnen Duitsland conflicten die soms de omvang van een burgeroorlog hadden. Politieke extremisten (voornamelijk communisten en nationaal-socialisten) wonnen veel aanhang, vooral na de grote depressie van 1929.
In januari 1933 nam de leider van de nationaal-socialisten, Adolf Hitler (1889-1945), de macht over. De strakke leiding waar sommigen in 1922 zo naar verlangden, werd toen bewaarheid.
Gepubliceerd op: www.geschiedenisbeleven.nl
De primeur van de eeuw
Oorlogsverslaggeving is een vak apart. Journalisten aan het front moeten onder zeer zware omstandigheden hun werk doen. Hadden en hebben Nederlandse journalisten hun sporen in dit vak meer dan verdiend, de primeur van de eeuw komt hen niet toe. Daarvoor moeten we naar Claire Hollingworth van The Daily Telegraph. De eerste journalist die melding maakte van de naderende inval van het 10e Duitse legerkorps onder leiding van Von Rundstedt in Polen (het begin van de Tweede Wereldoorlog).
In het Duits-Poolse grensgebied
Op 31 augustus 1939 – Claire werkte net een paar dagen voor The Daily Telegraph – werd zij al naar Polen gestuurd om verslag te doen van de snel toenemende spanningen in het gebied. Toen zij met een diplomatieke auto tussen Beuten en Gleiwitz reed, stuitte zij op een enorme Duitse troepenmacht. In een vallei verzamelde zich het 10e legerkorps van nazi-Duitsland onder leiding van veldmaarschalk Gerd von Rundstedt, tot de tanden bewapend en ondersteund door grote aantallen tanks en artillerie. Klaar om Polen binnen te vallen.
“Ik was niet eens bang”, zei de inmiddels 100-jarige Hollingworth in een interview ter gelegenheid van het 70-jarig ‘jubileum’ van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Die voor het moment opvallend relaxte houding had vermoedelijk alles te maken met het feit dat Hollingworth al eerder actief was in oost-Europa, voornamelijk als vrijwilliger. Volgens zeggen redde zij in die tijd een kleine 3.000 vluchtelingen die na de annexatie van het toenmalige Tsjecho-Slowakije door nazi-Duitsland een goed heenkomen probeerden te zoeken.
De dag van de aanval
Op de dag van de aanval informeerde Hollingworth eerst telefonisch de Britse ambassade in Warschau, waar haar melding pas serieus werd genomen, toen zij het geluid van vliegtuigen en gevechten in de straten van Katowice liet horen. Hierna maakte zij zich snel uit de voeten en reisde circa 14 dagen kris-kras door Polen, steeds juist vóór de snel oprukkende Duitse legermacht.
Na afloop van de Tweede Wereldoorlog berichtte zij in haar lange carrière nog over militaire conflicten in Algerije en Vietnam. In de nadagen van haar loopbaan werd zij nog benoemd tot correspondent in Communistisch China.
Wetenschappers en de ‘nobele’ kunst van het oorlogvoeren
De samenwerking van wetenschappers en soldaten is al bijna zo oud als het leven zelf. Toen in de oudheid de stad Syracuse door Romeinse legers werd belegerd, zette de Griekse geleerde Archimedes zich in voor de verdediging van zijn stad.
Deze vroege wis- en natuurkundige ontwierp o.a. machines om projectielen naar de belegeraars te werpen. Ook had hij een constructie bedacht waarmee het mogelijk zou moeten zijn om complete Romeinse schepen uit het water te tillen. Het technisch vernuft van Archimedes was niet voldoende voor de winst. Syracuse zou vallen. Tijdens de slachtpartij en plundering die volgden, kwam Archimedes om het leven. Archimedes zou niet de laatste geleerde zijn die zijn wetenschappelijke kennis gebruikte om zijn naasten, zijn stad of zijn vaderland te verdedigen.
Ongeveer tweeduizend jaar later stelde de omstreden Duitse wetenschapper en rakettechnicus Wernher von Braun (1912-1977), na de Tweede Wereldoorlog: ‘ In tijden van oorlog moet een man opkomen voor zijn land, hetzij als soldaat, als wetenschapper of ingenieur, en dit los van het feit of hij al dan niet akkoord is met de politiek, die zijn regering voert.’ Of dat ook het gebruik van slavenarbeid uit concentratiekampen betekende, vergat Von Braun maar gemakshalve.
Vaderlandsliefde komt voor het geweten
Vaderlandsliefde dient volgens Von Braun dus boven het geweten te staan. Iets waar wetenschappers en technologen zeker mee geworsteld zullen hebben als ze hun talenten inzetten tijdens een oorlog.
Bij het onderwerp wetenschap en oorlog komt altijd de ethische kant van het militaire onderzoek aan de orde. Wetenschap en technologie dienen niet langer de vooruitgang en het welzijn van de mensheid. Ze worden ingezet voor vernietiging.
Zo werden kennis en kunde om te leren vliegen in het begin van de 20e eeuw niet ontwikkeld om oorlog te voeren. Maar ze werden daar sinds de Eerste Wereldoorlog wel degelijk voor gebruikt. De Nederlandse luchtvaartpionier Anthony Fokker (1890-1939) heeft daar in Duitsland een grote rol in gespeeld.
Zijn vliegtuigontwerpen en de uitvinding van een mitrailleur die synchroon tussen de propellers door kon schieten gaven de Duitsers aanvankelijk een overwicht in de luchtoorlog.
Anderzijds heeft de oorlog wel een enorme impuls gegeven aan de ontwikkeling van de luchtvaart. Het maakte ook uitgebreide bombardementen op civiele doelen tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk.
De Eerste Wereldoorlog was bij uitstek een conflict waarin de invloed van wetenschap en techniek duidelijk werd. Toch drong deze invloed slechts beperkt door tot het grote publiek en de politieke machthebbers van die tijd.
Pas aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd het de politici en het grote publiek duidelijk waar wetenschap en techniek toe kunnen leiden. Onder leiding van de Amerikaan J. Robert Oppenheimer (1904-1967) ontstond de atoombom. Een wapen dat alle leven vernietigde en dat slechts tweemaal daadwerkelijk is gebruikt.
Wetenschappers in het oorlogsproces
Vóór de Eerste Wereldoorlog was er niet of nauwelijks contact tussen militairen en natuurwetenschappers. Fritz Haber omschreef zijn ervaringen met de militairen eens as volgt: ‘Voor de oorlog leefde de generaal met de geleerden in hetzelfde huis en groette deze weliswaar, maar er bestond geen enkele band. Voor de bemiddeling bediende hij zich van in hetzelfde huis verblijvende industriëlen.’ Door gezamenlijk op te treden, ontstond in de loop van de Eerste Wereldoorlog het academisch-militair-industrieel complex. Haber wordt vaak gezien als een van de vaders van dit complex.
Omdat de eigen partij moest winnen, hadden allen hetzelfde doel en ontstond er daarom een vorm van samenwerking. De militair moest leren inzien dat hij voordeel kon halen uit de introductie van een nieuwe technologie. De wetenschapper moest zich aanpassen aan de militaire wereld. Bovendien zou hij met sterke druk te maken krijgen om op korte termijn resultaten te produceren.
Van gifgas tot atoombom
Na de Eerste Wereldoorlog gingen de natuurwetenschappers terug naar hun laboratorium; de ingenieurs namen weer plaats achter hun tekentafel. De trend was echter gezet en de militairen zouden in de aanloop naar en vooral ook tijdens de Tweede Wereldoorlog een dringend beroep op hen doen.
Door de introductie van gifgassen als nieuw wapen wordt de Eerste Wereldoorlog wel de oorlog van de chemici genoemd. De fysici (natuurkundigen) waren vooral bezig met communicatieproblemen en het van afstand detecteren (met een apparaat de aanwezigheid vaststellen van zaken of verschijnselen die zintuiglijk niet waarneembaar zijn) van wapens.
De Tweede Wereldoorlog was onmiskenbaar de oorlog van de fysici. Zij waren het die de energie van het atoom tot een nieuw wapensysteem transformeerden. Toch was de rol van de chemici in de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk door de ontwikkeling en verbetering van conventionele munitie, brandbommen en raketbrandstof.
Ook het chemische wapen werd verder ontwikkeld. In Duitsland werd een nieuw type gifgas – het uiterst giftige Sarin– ontdekt en in productie genomen. Het was één van de geheime wapens van nazi-Duitsland, dat pas na de Tweede Wereldoorlog bekend zou worden.
Een chemisch alternatief voor het tekort aan munitie
Toen de Eerste Wereldoorlog nog maar nauwelijks was begonnen, diende zich bij de Duitse legers een chronisch tekort aan munitie aan. Generaal Erich von Falkenhayn – in die eerste jaren opperbevelhebber van de Duitse legers – vroeg eind 1914 de chemici Fritz Haber en Walther Nemst om met alternatieven voor de conventionele oorlogvoering te komen. Hun oplossing was even doeltreffend als schokkend: gifgas.
22 april 1915: chloorgas als aanvalswapen
Donderdag 22 april 1915 troffen de Franse en Duitse legers elkaar opnieuw ter hoogte van het Belgische Ieper. Voordat de gevechten begonnen, lieten de Duitsers ongeveer 150 ton chloorgas ontsnappen in de richting van hun tegenstanders. Die werden volkomen verrast, leden grote verliezen en verloren veel terrein. Vanuit Duits perspectief leek de samenwerking van militairen, wetenschappers en de industrie veel belovend.
Hoewel er voor 22 april 1915 al op kleine schaal door Fransen en Duitsers traangas was ingezet, kan 22 april 1915 als startmoment voor de gasoorlog binnen de Eerste Wereldoorlog worden beschouwd.
De Fransen en Britten namen het gebruik snel over. Dit leidde ertoe dat de strijdende partijen elkaar tot november 1918 met miljoenen gasgranaten bestookten.
Tegenmaatregelen
Door direct na de schok van de uitwerking van het nieuwe wapen passende tegenmaatregelen te nemen, zoals het ontwerp van een goed gasmasker, kon veel van de schadelijke werking te niet worden gedaan. Ook gaf het de beperkingen van het gaswapen aan.
Om de bescherming weer te doorbreken, werden steeds krachtiger middelen ingezet.
Chloor werd vervangen door het giftiger fosgeen en in juli 1917 werd – opnieuw rond Ieper – voor het eerst mosterdgas gebruikt. Mosterdgas tastte niet alleen de ademhalingswegen aan, zoals chloor en fosgeen, het zorgde ook voor blaarvorming op de huid.
De gasoorlog begon met het leeg laten lopen van gascilinders richting de vijandelijke loopgraaf. De Britten en Fransen kopieerden de Duitse opzet uit het voorjaar van 1915. De Britten ondervonden bij hun eerste gebruik van chloorgas tijdens de slag bij Loos in september 1915 dat de wind naar hun eigen stellingen kon draaien.
Om niet afhankelijk te zijn van ‘gunstige’ wind, werden gascilinders vervangen door gasgranaten en speciale granaatwerpers, zoals de Livens-projector – speciaal ontworpen voor het gericht kunnen bestoken van loopgraven.
De ontwerper William Howard Livens (1889-1964) was een Britse civiele ingenieur en kapitein van de Royal Engineers, die ook de vlammenwerper bij het Britse leger had geïntroduceerd.
Ondanks verbeteringen aan het gaswapen in de loop van de oorlog, bleef het uiteindelijk een te beperkt wapen. De tegenstander in de loopgraaf kon ermee worden uitgeschakeld, maar het bleef een statisch wapen met weinig tot geen mobiliteit.
De legers bleven het echter tot het einde toe gebruiken wat resulteerde in 90.000 dodelijke slachtoffers en tussen de 500.000 en 1 miljoen soldaten die op de een of andere manier door het gifgas waren aangetast.
De Eerste Wereldoorlog wordt ook wel de oorlog van de chemici genoemd; zij waren het die gifgassen als nieuw wapen introduceerden. Een wapen dat totaal anders was dan de gebruikelijke infanterie- en artilleriewapens. Het gebruik van gifgas was weliswaar niet nieuw in de wetenschappelijke zin van het woord, maar de innovatie bestond er uit om er een wapensysteem van te maken en dit op grote schaal toe te passen.
Na de Eerste Wereldoorlog is er uitvoerig gediscussieerd over het gebruik van chemische wapens. Een discussie die in 1925 leidde tot het Protocol van Geneve, de eerste belangrijke multilaterale overeenkomst betreffende een verbod op het gebruik van gifgassen. Het verbood echter niet uitdrukkelijk het bezit van deze wapens.
Ondanks de dreiging en het feit dat er een aanzienlijke voorraad van was geproduceerd, werden gifgassen niet ingezet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het paste gewoon niet in het verloop van de strijd. Ethische bezwaren hebben daarin niet of nauwelijks een rol gespeeld.
Zo was Winston Churchill bijvoorbeeld ten volle bereid ze in te zetten als de Duitsers in 1940 op Britse stranden waren geland.
