@Geschiedenisgek

Persoonlijke bespiegelingen op de (vaderlandse) geschiedenis

Archive for september 2011

Vergeten volksvertegenwoordigers: dr. J.Th. de Visser

laat een bericht achter »

Hervormd predikant en vooraanstaand CHU-politicus. Kwam in 1897 voor de kleine Christelijk-Historische Kiezersbond in de Tweede Kamer. In 1918 de eerste minister van Onderwijs van Nederland in de 20e eeuw. Voltooide met zijn Lager-Onderwijswet de onderwijspacificatie. Bracht ook andere belangrijke wetgeving tot stand, zoals bijvoorbeeld de Nijverheids-onderwijswet. Begenadigd en veel gevraagd feest- en kanselredenaar.

Van de jeugd van De Visser is weinig bekend. Zijn moeder stierf, toen hij nog een kleine jongen was. Volgens eigen zeggen had zijn vader ‘werkelijk alles’ opgeofferd om zijn oudere broer en hem een goede opleiding te geven.  Na zijn eindexamen gymnasium-A ging hij in 1874 (hij was toen 17 jaar jong) in zijn geboorteplaats Utrecht theologie studeren. Op 27 mei 1880 promoveerde hij cum laude op een proefschrift over De Daemonologie van het Oude Testament. Ondertussen had hij in 1879 ook het kandidaatsexamen rechten afgelegd.

De start van de politieke carrière van De Visser loopt ongeveer gelijk op met de oprichting van de Christelijk-Historische Kiezersbond. In 1897 – de eerste maal dat er verkiezingen werden gehouden op basis van de nieuwe Kieswet van S. Van Houten – werd De Visser voor een Rotterdams district in de Tweede Kamer gekozen.

Minister van Onderwijs
Als minister van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen in het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck viel hem de taak toe om in een nieuwe wet op het lager onderwijs het juiste evenwicht tussen het openbare en bijzondere onderwijs te vinden. De Visser zorgde ervoor dat in de openbare school zoveel mogelijk zou blijken dat Nederland een christelijk land was.  Ook volgens de nieuwe wet moest de school naar de oude, door Groen van Prinsterer en Kuyper zo gewraakte formule, opleiden tot ‘alle christelijke en maatschappelijke deugden’.

Op de openbare scholen zou  – in de gewone schooluren – gelegenheid zijn tot het geven van godsdienstonderwijs, zij het niet door de klassenonderwijzer.  Met dezelfde wet werden allerlei verbeteringen in het onderwijs doorgevoerd, die volledig los stonden van de pacificatie, maar wel veel geld kostten, zoals een 7e leerjaar. De Vissers wetsvoorstel werd met vrijwel algemene stemmen aanvaard. De minister werd zeer geprezen om zijn bekwame aanpak van deze zeer ingewikkelde materie.

Conflicten
Korte tijd later verloor hij veel van het vertrouwen dat hij had omgebouwd. Men maakte bezwaar tegen de gedetailleerde bemoeienis van het departement van Onderwijs met de scholen. Als onderdeel van de algemene bezuinigingen na 1920 moest ook De Visser een aantal van de verbeteringen die de wet had gebracht terugnemen. Maar speciaal katholieken en antirevolutionairen waren teleurgesteld door zijn beleid.

De Visser was een voorstander van bijzonder lager onderwijs, omdat op de lagere school opvoeding en onderwijs niet van elkaar te scheiden waren. Voor andere vormen van onderwijs gold dit naar zijn overtuiging niet of nauwelijks.

Op andere gebieden kwam De Visser in conflict met de meerderheid van de rechterzijde van het parlement.  Bijvoorbeeld toen hij subsidie voorstelde voor de opera en voor de Olympische Spelen die in1928 inAmsterdam werden gehouden.

In de sterk gepolariseerde politiek van het Nederland in het eerste kwart van de 20e eeuw stond deze markante bruggenbouwer vaak alleen.  Van 1897 tot 1903 was hij in de Tweede Kamer een eenling. In 1905 ging hij zijn eigen gang bij de Hoger Onderwijswet. Na de kabinetscrisis van 1925 – toen hij niet wilde toegeven aan de antipapistische stemming in zijn partij – stond hij zo geïsoleerd, dat er van bruggen bouwen geen sprake meer was. Zijn rol was uitgespeeld.

Johannes de Visser overleed op 14 april1932 in zijn woonplaats Den Haag.

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 29, 2011 op 6:21 pm

Vergeten volksvertegenwoordigers: Ko Suurhoff

laat een bericht achter »

PvdA-politicus – door het Parlementair Documentatie Centrum omschreven als een ‘typische selfmade man’, die het in 1952 tot minister van Sociale Zaken bracht. Vooral bekend als de ‘bouwer’ van de Algemene Ouderdoms Wet (AOW). Tot zijn niet geringe wetgevende prestaties horen ook: de Gezondheidswet en de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

De politieke belangstelling van Suurhoff begint al vroeg. Begin 1925 werd hij – nog maar 19(!) jaar – secretaris van de afdeling Amsterdam II van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de voorloper van de latere Partij van de Arbeid. In 1929 werd Suurhoff voorzitter van de vakgroep kantoorbedienden van de Algemene Bond van Handels- en Kantoorbedienden en in 1930 trad hij in bezoldigde dienst bij het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen, als medewerker van de documentatieafdeling van het hoofdbestuur. In 1938 werd hij chef van die afdeling.

Die jaren op het documentatiebureau zijn een geweldige leerschool voor Suurhoff geweest. Hij kwam er in aanraking met de grote vraagstukken van de sociale politiek en had daarnaast ook tijd voor zelfstudie.

Selfmade politicus van socialistische huize. Bedenker van de AOW en tal van andere sociale wetten. Zijn carrière in de SDAP ontwikkelde zich in de tussenliggende periode gestaag. In 1939 bereikte hij de bankjes van de Tweede Kamer, als vervanger van J. van den Tempel, die minister van Sociale Zaken was geworden.
Tijdens de Duitse bezetting was Suurhoff tussen mei 1942 en juni 1943 geïnterneerd in Sint Michielsgestel. Daar behoorde hij tot degenen die een heroprichting van de SDAP na de oorlog ongewenst achtten.  In een lezing voor de Sociologische Studiegroep der gijzelaars (augustus 1942) sprak hij zich uit voor een coöperatieve ordening van het bedrijfsleven en voor eenheid van de vakbeweging.  Na zijn vrijlating dook Suurhoff onder en werd hij medewerker van het illegale blad Je Maintiendrai.

Manifest van de Nederlandse Volksbeweging
In mei 1945 behoorde Suurhoff tot de 33 ondertekenaars van het Manifest van de Nederlandse Volksbeweging. Hij werd gekozen in het voorlopig hoofdbestuur van deze NVB en trad tevens aan als lid van een pressiegroep tegen terugkeer der omroepverenigingen bedoelde Comité Nationale Omroep. Vanaf de herfst van 1945 hervatte hij zijn parlementaire werk.

 Vanaf 1946 vertegenwoordigde Suurhoff de PvdA in de Tweede Kamer. Zoals mocht worden verwacht, hield hij zich er voornamelijk bezig met sociale zaken. Daarnaast werd hij in 1949 tweede voorzitter van het NVV. Het was de bedoeling dat hij te zijner tijd H. Oosterhuis als voorzitter van de vakbond zou opvolgen. Dit ging echter niet door doordat hij op 2 september 1952 minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid werd in het derde kabinet-Drees. Hij is deze functie blijven bekleden tot het aftreden van het vierde kabinet-Drees in december 1958.

 Belangrijk wetgevend succes
Het ministerschap van Sociale Zaken is zonder enige twijfel het hoogtepunt van Suurhoffs carrière geweest. Aan het arbeidsmarktbeleid, de emigratie en ook het voor hem aanvankelijk onbekende terrein van de volksgezondheid besteedde hij veel aandacht. Zijn naam is echter in de geschiedenisboeken terecht gekomen door zijn werk op de lange termijn: de uitbreiding van het stelsel van sociale zekerheid.  In 1956 werd de door Suurhoff ontworpen Algemene Ouderdoms Wet (AOW) door het parlement aangenomen.


Ook de kort na zijn aftreden aangenomen Algemene Weduwen- en Wezenwet was hoofdzakelijk zijn werk.

 Na enkele jaren – naast zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer – als voorzitter van de PvdA te hebben gefunctioneerd, accepteerde Suurhoff in april 1965 opnieuw een ministerspost. Hij werd minister van Verkeer en Waterstaat in het kabinet-Cals. Veel tijd om zijn plannen op verkeers- en waterstaatsgebied te realiseren was er echter niet. In oktober 1966 trad het volledige kabinet af na de ‘nacht van Schmelzer’. Suurhoff was toen echter al ernstig ziek. Hij werd in februari 1967 weliswaar nog herkozen als Kamerlid, maar overleed een maand later aan de gevolgen van kanker.

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 27, 2011 op 2:12 pm

Het ontstaan van de SS

laat een bericht achter »

Een van de meest gehate onderdelen van het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog was de SS of Schutzstaffel, een paramilitaire organisatie die aanvankelijk werd opgericht als persoonlijke lijfwacht voor Adolf Hitler. De groepering groeide uit tot een militaire elite-eenheid die tijdens de processen van Neurenberg werd bestempeld als ‘misdadige’ organisatie.

Hoewel de SS op 4 april 1925 werd opgericht, is in Hitlers Tischgespräche de volgende passage vermeld:

‘Daar ik ervan overtuigd was dat er altijd omstandigheden voorkomen, waarin elitetroepen vereist zijn, heb ik in 1922-1923 de Schutzstaffel Adolf Hitler opgericht. Zij werden samengesteld uit mannen die voor revolutie gereedstonden en wisten dat het op zekere dag op hard knokken zou uitdraaien’.

Het waren o.a. Emil Maurice en Erhard Heiden die in München aan de basis van deze eerste groep stonden. Dit was het feitelijke begin van de SS. Maar het was met Himmler dat de SS uitgroeide tot een elitekorps, verknocht aan één ideaal en trouw tot in de dood.

De SS als onderdeel van de SA
Hitlers Schutzstaffel-lijfwachtgroep bestond aanvankelijk uit 167 manschappen – een spreekwoordelijke druppel op de gloeiende plaat als je er het totaal van 70.000 man van de SA ernaast plaatst. Himmler kreeg in die jaren SS-nummer 168.

De SS was in die tijd niet alleen klein in aantal, het miste ook volledig de waardigheid en tradities van een elitekorps in de gebruikelijke militaire zin. De bijkomende taak voor de afdeling München bestond – volgens zeggen – uit het ophalen van contributies en het werven van adverteerders voor de nazikrant, de Völkischer Beobachter. Van enige vorm van financiële compensatie was in die tijd geen sprake.
De SS’ers van het eerste uur moesten hun zwarte tuniek en laarzen kopen – zij droegen deze met korte SA-broek en pet – en zij betaalden zowel SS- als partijcontributies. Ook waren zij, als Hitler in hun district aanwezig was, 24/7 in dienst ter ‘bescherming’ van de Führer.

Schitterende titels
Op welk tijdstip Himmler en Hitler elkaar voor het eerst hebben ontmoet, is moeilijk te zeggen. Hij (Himmler) is beslist nooit lid geworden van de kring van Hitlers intiemste vrienden. Dit waren mannen als Göring, Goebbels en Speer. Maar de invloed van de Führer op het verloop van Himmlers carrière heeft zeker niet geleden onder dit vermoedelijke gebrek aan persoonlijk contact. In 1926 stelde Hitler Gregor Strasser aan als Rijkspropagandachef. Op die manier kreeg Himmler er opnieuw een (bescheiden) ambt bij: dat van plaatsvervangend propagandachef.
De schittering van deze titels was alles wat hij nodig had om zijn onmetelijk grote eigendunk te bevredigen.

Bladgouden gotische letters op de deur van zijn kantoor én op zijn bescheiden woning, vertelden alle bezoekers dat hij de ‘Plaatsvervangend leider van de Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiderspartij, District München’ was. ‘Plaatsvervangend chef van de Beschermingstroepen van de Führer, afdeling München’. ‘Plaatsvervangend Propagandaleider van het Deutsche Reich’. Zijn eigen naam prijkte in veel bescheidener letters. Zijn naam vervulde hem niet van plezier, wel de vermelding van zijn kwaliteiten.

Hoe leeg deze ambten in naam en betekenis ook waren, Himmler maakte ervan wat er maar van gemaakt kon worden. Hij zette dossiersystemen op die zich over elk aspect van de niet van hem verlangde werkzaamheden uitstrekten. Als luistervink was hij al even grondig.

Hij had de tijd, niet alleen om zijn bibliotheek van dossiers op te bouwen, maar ook voor het bestuderen van de rassentheorieën van Houston Stewart Chamberlain en Alfred Rosenberg. Beide mannen theoretiseerden over de ‘zuiverheid’ van het noords-Arische ras.

Voor een mens zonder humor zijn alle dingen ernstig. Er is geen enkele aanwijzing dat Himmler ooit maar blijk heeft gegeven van het geringste sprankje humor. Alle propaganda uit de koker van de H.S. Chamberlainschool was koren op de molen van zijn assimilerende geest.

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 26, 2011 op 7:39 am

Een wereldvreemd filosoof als secretaris-generaal van de NSB

laat een bericht achter »

Na een nauwelijks succesvol te noemen universitaire loopbaan, ontwikkelde de carrière van dr. Tobie Goedewaagen zich tijdens de Duitse bezetting meer dan stormachtig. Als secretaris-generaal van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten speelde hij een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de nationaalsocialistische kunst in Nederland.

Voor zover bekend, ondernam Goedewaagen zijn eerste politieke activiteiten in het begin van de jaren dertig. Geboeid door de activiteiten van generaal C.J. Snijders, sloot hij zich aan bij het Verbond voor Nationaal Herstel. Een obscuur extreemrechts clubje, dat zich met name keerde tegen het verval van de nationale waardigheid en gezagsondermijnende activiteiten.  In die tijd speelde o.a. de muiterij op H.M. ‘De Zeven Provinciën’. Zijn eerste contact met de Nationaal- Socialistische Beweging van Mussert dateert van 1936. Bij die gelegenheid was hij medewerker geworden van Nieuw-Nederland, het theoretisch tijdschrift van de NSB.

Na de Duitse inval
Op 12 mei 1940 werd Goedewaagen gearresteerd en geïnterneerd. Dit was het spreekwoordelijke laatste zetje in de richting van een actieve politieke rol binnen de NSB. Mussert benoemde hem achtereenvolgens tot ‘persleider’ (16 september 1940-25 augustus 1941), tot hoofd van de afdeling Hoger Onderwijs van het Opvoedersgilde der NSB en tot gemachtigde in bijzondere dienst (beide van 22 augustus 1941 tot juli 1942). Hij speelde een grote rol in de door de bezetter beoogde en ook bereikte gelijkschakeling van de Nederlandse pers als voorzitter van de Raad van Voorlichting voor de Nederlandse Pers (15 juni 1940) en via het door hem opgerichte Verbond van Nederlandse Journalisten (24 augustus 1940). Na december 1940 zou Goedewaagen zich nadrukkelijk bezighouden met de concentratie en gelijkschakeling van de Nederlandse omroep.

Volksvoorlichting en Kunsten
Alle werkzaamheden die Goedewaagen ondernam, vielen bij Reichskommissar Seyss-Inquart zo zeer in de smaak, dat deze hem op 28 november 1940 benoemde tot secretaris-generaal van het nieuw ingestelde departement van Volksvoorlichting en Kunsten.

 Zijn ontwikkeling in Groot-Duitse SS-richting leidde tot verwijdering van de door ‘Dietse’ denkbeelden beheerste NSB. Tegen zijn zin had Mussert in het voorjaar van 1942 de propagandaleider der NSB (E. Voorhoeve) ook belast met de leiding over de afdeling Propaganda van het departement.
Via een ‘juridische’ procedure voor de Hooge Raad van Discipline der NSB kwam er een einde aan zijn politieke en bestuurlijke functies. Op 28 januari 1943 werd hij ontslagen als secretaris-generaal. Op dezelfde datum werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit van Utrecht.  In 1941 was hij ook al bijzonder hoogleraar Letteren en Wijsbegeerte geworden aan de Rijksuniversiteit van Leiden. Dit was op instigatie van de Nederlandse Stichting tot bevordering van de studie van het nationaal-socialisme met als onderwijstaak ‘Nieuwere wijsbegeerte’.  Aangezien de universiteit daags na zijn benoeming de deuren sloot, kon hij niet in die hoedanigheid optreden.

 Hij kon zich weer aan zijn vak wijden, ondanks een minimaal aantal studenten en ondanks de afwijzing die hij ontmoette bij vrijwel al zijn collega’s.  Wel publiceerde hij nu een groot aantal artikelen op wijsgerig en ander cultureel terrein. Deze situatie bleef ongewijzigd tot hij in september 1944 naar Duitsland vluchtte. Via een ‘Forschungsauftrag’ van het ministerie van Opvoeding en Onderwijs verwierf hij een materiële basis die voortduurde tot de Duitse ineenstorting.

 Arrestatie en uitlevering
Op 29 mei 1946 werd Goedewaagen door de Engelse Field Security gearresteerd en aan Nederland uitgeleverd. Op 15 december 1948 veroordeelde het Haagse Bijzonder Gerechtshof  hem tot 12 jaar gevangenisstraf met als bijkomende eis de ontzegging om ooit nog openbare ambten te mogen uitoefenen. Op 17 april 1952 werd hij in het kader van een algemene amnestie vrijgelaten. Hij probeerde in zijn levensonderhoud te voorzien door het geven van privéonderwijs en lessen aan het Instituut Vermazen in Den Haag. Ook trachtte hij weer artikelen gepubliceerd te krijgen.  In 1956 verscheen onder het pseudoniem Theodor Meursen een door hem geredigeerd werk, ‘Holland’, in de in Neurenberg uitgegeven reeks ‘Geistige Länderkunde’.  In het historische deel hiervan kwam de Tweede wereldoorlog nauwelijks aan bod. De Duitse bezetting kwam al helemaal niet ter sprake. Zijn laatse publicatie – ‘Aufruf der Religion Grundrisz der Religion’ – verscheen in het jaar van zijn overlijden (1980) in Duitsland.

 

 

 

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 21, 2011 op 12:21 pm

Operatie Himmler

met één reactie

In juni 1939 ontbood Göring Himmler naar een bijeenkomst met als algemeen verbindend onderwerp: de voorbereiding van de oorlog en daarbij als nadere precisering de middelen waarmee de geallieerden op zo’n manier konden worden geprovoceerd, tot een oorlogsverklaring. Het lossen van het eerste schot maakte namelijk geen deel uit van de strategische plannen van Hitler en de zijnen.

Himmler verzekerde Göring dat alle staatsdiensten waarover hij de leiding had, ten dienste stonden van het Reich. Ongeacht de activiteiten die moesten worden ondernomen.
Goebbels, ook aanwezig bij de bijeenkomst, merkte op dat ‘welk plan er ook werd gemaakt, het moest zich lenen voor een succesvolle propaganda. Anders zou Duitsland naar voren komen als het provocerende land.’ Het plan, zoals het was uitgewerkt en enthousiast goedgekeurd door Hitler, werd tijdens het proces van Neurenberg in detail uit de doeken gedaan door Alfred Naujocks, een hoge SS-officier die bij de operatie betrokken was.

Een gevechtsgroep uit Polen
‘Op of omstreeks 10 augustus 1939 heeft Heydrich mij persoonlijk bevel gegeven een aanval uit te voeren op het radiostation van Gleiwitz, en het te doen voorkomen of de aanval werd uitgevoerd door een gevechtsgroep uit Polen. Dit plan werd later bekend  als ‘Operatie Himmler’.  Heydrich zei: ‘Er is daadwerkelijk bewijs nodig van deze Poolse aanvallen. Zowel voor de buitenlandse pers, als voor de Duitse propaganda.’
‘Mijn instructies waren om het radiostation te bezetten en lang genoeg in handen te houden om een Pools sprekende Duitser, die mij ter beschikking zou worden gesteld, de gelegenheid te geven voor de radio een anti-Hitler speech in het Pools te houden. In de tussentijd kregen een dozijn in Poolse uniformen gestoken gevangenen uit een concentratiekamp dodelijke injecties toegediend.

De gevangenen werden naar Gleiwitz gebracht en daar (dichtbij het radiostation) voor dood achtergelaten, nadat zij eerst op overtuigende manier waren doodgeschoten. Na het incident zouden leden van de pers naar de plaats worden gebracht, waar zij de zogenaamde Polen konden fotograferen. De foto’s konden als ‘bewijs’ voor de Poolse agressie in het krantenverslag worden opgenomen.’

Hoewel het complot van Himmler en Heydrich aanvankelijk onuitvoerbaar leek – er waren geen Poolse uniformen, kon het toch doorgaan.  Het ging  31 augustus om 12.00 uur ’s middags van start en werd ’s avonds rond 20.00 uur uitgevoerd.

Völkischer Beobachter
In de Völkischer Beobachter – de partijkrant van de nazi’s – stond daags daarna het volgende verslag:

‘Een troep Poolse oproerlingen is gisteravond het gebouw van Radio Gleiwitz binnengedrongen. Op dat was er slechts beperkt personeel aanwezig. Zij sloegen de wacht neer en stormden de studio binnen. Daar werd met knuppels op het aanwezige personeel in geslagen.’
‘De aanvallers lazen toen een in het Pools en Duits voorbereide propagandaspeech voor, verklaarden dat de stad en het radiostation in Poolse handen waren en eindigden met een schandelijke bespotting van de Führer. ‘

Polen heeft voor de oorlog gekozen
Bij het aanbreken van de dag stelden de Duitse legers zich op, gingen de Poolse grens over en snelden van het noorden, zuiden en westen richting Warschau. De Tweede Wereldoorlog was begonnen.

‘Ondanks de appèls van de Führer, heeft Polen voor de oorlog gekozen, kopten volgende edities van de VB. Himmler schreef in zijn dagboek: ‘Een kolossale dag voor mij. Operatie Himmler heeft de Führer op zijn wenken bediend. Ik zal steeds met trots kunnen terugkijken op mijn plan en het succes ervan.’

Natuurlijk vergat hij te melden dat het Heydrich was die de details had uitgewerkt. Terwijl hij altijd een wrok had gekoesterd, omdat hij, niettegenstaande zijn verschrikkelijke macht, nooit iets had bijgedragen tot de inleidende stappen voor de oorlog voelde nu dat hij de enige zet had gedaan die de oorlogsmachine in beweging had gebracht. Daardoor had hij alle anderen in belangrijkheid overtroffen.

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 17, 2011 op 4:31 pm

Directe invloed op onze volksvertegenwoordigers

laat een bericht achter »

Dinsdag 6 september kwam het burgerinitiatief weer eens vol in de publiciteit.  Henk Bres bood die middag 41.000 handtekeningen aan om een debat over een verbod van de pedofielenvereniging Martijn op de parlementaire agenda te krijgen. Is zo’n burgerinitiatief in een land als bijvoorbeeld Zwitserland al sinds jaar en dag de gewoonste zaak van de wereld, in Nederland bestaat de regeling pas sinds 2006.

Terug in de tijd
Het initiatief voor de introductie van een burgerinitiatief in de Nederlandse politiek dateert van oktober 2003. Toen diende Niesco Dubbelboer van de Partij van de Arbeid een motie in waarin het Presidium van de kamer werd gevraagd de voor- en nadelen van zo’n burgerinitiatief te onderzoeken.
De motie Dubbelboer constateerde dat ‘op gemeentelijk, provinciaal en Europees niveau burgers de mogelijkheid hebben of krijgen om beleidsindeeën te agenderen.’ De motie pleitte daarom voor het instellen van een burgerinitiatief op landelijk niveau.

In maart 2004 werd de motie door de kamer aangenomen en in juni 2005 stelde het Presidium naar aanleiding van haar onderzoek voor om het burgerinitiatief ook daadwerkelijk in te voeren.
Het Presidium noemde het burgerinitiatief een goede maatregel om de afstand tussen burger en politiek te verkleinen. Ook stelde het presidium dat een dergelijk initiatief de vertegenwoordigende functie van de Kamer zou versterken.

Geen wetswijziging nodig
Voor het invoeren van het burgerinitiatief was geen wetswijziging nodig. Slechts het Reglement van Orde van de Tweede Kamer is aangepast. Hiertoe besloot de Tweede Kamer in februari 2006. Vanaf 1 mei 2006 was het burgerinitiatief als vorm van bestuurlijke vernieuwing een feit.

De Procedure
Een burgerinitiatief is aan een aantal spelregels gebonden. Het voorstel moet nauwkeurig omschreven en bemotiveerd zijn. Een kiezer moet een voorstel met naam, adres en handtekening indienen.
Degenen die het verzoek ondersteunen doen dit door – naast hun handtekening – hun naam, adres en geboortedatum te vermelden.

Onderwerpen waarover korter dan twee jaar vóór indiening van het voorstel een besluit is genomen, zijn uitgesloten van een burgerinitiatief. Een uitzondering vormen die onderwerpen waarvan voldoende nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn, die tijdens de beraadslagingen over het onderwerp in de Tweede Kamer onbekend zijn.

Een burgerinitiatief wordt ter hand gesteld van de Tweede Kamercommissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven, die de Kamer vervolgens adviseert over de verdere afhandeling.
De commissie controleert steekproefsgewijs of de verzamelde handtekeningen daadwerkelijk van kiesgerechtigden afkomstig zijn. Daarom zullen enkele ondertekenaars van een burgerinitiatief worden gevraagd naar een kopie van hun identiteitsbewijs.

Als aan alle voorwaarden is voldaan, stelt de Commissie aan de Kamer voor het initiatief in behandeling te nemen. Ook doet zij een voorstel over de manier waarop de Tweede Kamer het initiatief kan behandelen.
Zo kan de Kamer een initiatiefnemer bijvoorbeeld vragen om een mondelinge toelichting tijdens een commissievergadering of plenaire vergadering. Het is uiteindelijk aan de volksvertegenwoordigers zelf om een standpunt in te nemen over het ingediende initiatief.

 

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 16, 2011 op 8:04 am

Een nooit vertoonde massamoord

laat een bericht achter »

Wat uitgroeide tot een in de geschiedenis nog nooit vertoonde Holocaust begon met de wreedheid en het uithongeren van de getto’s in Oost-Europa. Daarnaast werden meer dan 1 miljoen joden – samen met net-Joodse Poolse intellectuelen en functionarissen van de toenmalige Sovjet-Russische communistische partij – vergast in mobiele eenheden (Einsatzgruppen).  Wat deze nazi-genocide onderscheidde  van de Japanse en Sovjet-Russische tegenhangers, was de geïndustrialiseerde verdelgingscampagne  die in december 1941 als Endlösung door Hitler werd bevolen.

De organisatie ervan werd geregeld tijdens een bespreking van hoge nazi-bestuurders in Villa Wannsee bij Berlijn, op 20 januari 1942.  Volgens de besluiten van die ‘Wannsee-conferentie’ moesten de nog overgebleven getto’s in Oost-Europa worden vernietigd door middel van massale executies en deportaties. Dit werd ook als zodanig uitgevoerd.

De ultieme doodsfabriek
De ultieme doodsfabriek was Auschwitz-Birkenau, waar vier immense gaskamers per stuk 2.000  mensen per keer konden bevatten.  Een enorm aantal in vergelijking tot het tot dan toe ergste vernietigingskamp (Treblinka), waar de capaciteit per gaskamer ‘slechts’ 200 mensen per keer betrof.

Er schuilt een kern van waarheid in het aforisme van Stalin. Eén sterfgeval is een tragedie, een miljoen sterfgevallen is een statistisch gegeven. In een tijd dat het lot van nazi-Duitsland aan een spreekwoordelijke zijden draad hing, gebruikten de nazi’s enorme hulpbronnen en hun grote vindingrijkheid voor het vermoorden van miljoenen hulpeloze mensen die voor hen geen enkel militair, politiek of economisch gevaar vormden.

Ze gingen er nota bene mee door tot de laatste dagen van de oorlog.

 

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 9, 2011 op 7:59 pm

De moordenaars van Walther Rathenau

laat een bericht achter »

De misschien wel meest geruchtmakende moord uit de jaren twintig van de vorige eeuw staat op naam van enkele leden van de organisatie Consul. Zij brachten op 22 juni 1922 Walther Rathenau – toen minister van Buitenlandse Zaken van de republiek van Weimar – om het leven.

De moord vond plaats op klaarlichte dag en werd gepleegd op de kruising van de Erdener- en Wallotstrasse in Berlijn-Grunewald. Dichtbij de woning van de minister.
De beide hoofddaders – Erwin Kern en Hermann Fisher – kwamen enkele weken later tijdens een vuurgevecht met politie-eenheden in de Pruisische deelstaat Saksen om het leven. De overige medeplichtigen, waaronder de later zeer bekende schrijver Ernst von Salomon, werden tot lange gevangenisstraffen veroordeeld.

Wat waren de motieven voor de moord?
De moord op Rathenau staat als allereerste regelrechte antisemitische moord in de geschiedenisboekjes. Een van de bewijzen die daarvoor kan worden geleverd, is de tekst van een antisemitisch drinklied uit die tijd:

‘Knallen die Gewehre- tak, tak, tak
Aufs schwarze und aufs rote Pack.
Auch Rathenau, der Walther,
Erreicht kein hohes Alter,
Knallt ab den Walther Rathenau,
Die gottverdammte Judensau!”

Daarnaast was de moord op Rathenau een van de vele politieke moorden van dat jaar. Vrijwel allemaal gepleegd door daders uit extreemrechtse hoek en louter gericht op het ondermijnen van de wankele democratie.  Het duurde uiteindelijk nog tot 1933 voordat het politieke landschap zou omslaan.

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 7, 2011 op 6:46 pm

De deelname van Japan aan beide wereldoorlogen

laat een bericht achter »

De bron van zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog ligt in Europa. Toch was Japan nadrukkelijk bij beide wereldwijde conflicten betrokken. Waarom? De Japanse cultuur is (historisch gezien) verweven met een verregaande vorm van militarisme.

Na de zeer succesrijke oorlogen tegen China (1894-1895) en Rusland (1904-1905) had Japan Korea geannexeerd en fungeerde het als feitelijk machthebber in Mantsjoerije.

Westers racisme
De participatie van Japan aan de Eerste Wereldoorlog (aan de kant van de geallieerden!) leverde het land een aantal eilanden in de Stille Oceaan op die tot die tijd deel hadden uitgemaakt van het Duitse keizerrijk. In de visie van de Japanners was het westerse racisme er de oorzaak van dat zij minder hadden gekregen dan waar zij, op basis van de vredesverdragen, recht op meenden te hebben. Er werd ‘met twee maten gemeten’. Voor de Japanse politici een niet te verdragen gedachte.

In die tijd had het leger nog niet zoveel macht. Maar de groeiende macht van ultranationalisten, de opstand van jonge officieren op 15 mei 1930 en de andere incidenten die zich in die tijd voordeden, brachten Japan stap-voor-stap onder de invloed van het leger.
Wat daarmee onmiskenbaar in hun voordeel werkte, was dat het voor de aanstelling van een minister van Oorlog noodzakelijk was de instemming van zowel de chef-staf als de inspecteur-generaal van het leger te krijgen. Bovendien moest de minister van Oorlog een officier in actieve dienst zijn. Deze systematiek stelde het leger in staat om het kabinet naar believen te manipuleren.

Aan het einde van de jaren twintig vormde een nationalistische reactie (onder leiding van Tsjang Kai-tsjek) tegen het krijgsherendom in China een regelrechte bedreiging voor de bevoorrechte positie van Japan in het imposante buurland. Dit bracht het Japanse leger er in september 1931 toe het zogeheten ‘Mantsjoerije-incident’ uit te lokken.

Een informele oorlog
De informele oorlog die toen volgde (er was geen sprake van een formele oorlogsverklaring) leidde in 1933 tot een scherpe veroordeling van Japan door de Volkenbond. Als tegenreactie zei Japan haar lidmaatschap van de bond op en vertrok.
De Japanse politiek werd toen al volledig beheerst door moordaanslagen en nationalistische belangengroeperingen. De legers te velde trokken zich niets meer aan van de burgerregering. Ook het eigen opperbevel werd – als dat zo uitkwam – volkomen genegeerd.

In juni 1937 groeide het conflict in Mantsjoerije uit tot een echte oorlog. Op zijn beurt gaf deze oorlog weer aanleiding tot een grensconflict met de Sovjet-Unie.  Dit conflict eindigde in september 1939 met een verpletterende nederlaag voor de Japanners bij Halhin Gol. Japan werd niet alleen geconfronteerd met een kostbare impasse in China, zij werd bovendien getroffen door een reeks van economische maatregelen (sancties), opgelegd door de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland.

Generaal Tojo wordt premier
De regering van prins Fumimaro Konoye zag geen kans om tot een vergelijk te komen dat voor de Japanse strijdkrachten aanvaardbaar was. In oktober 1941 werd hij vervangen door een andere premier: generaal Hideki Tojo. Deze benoeming had aanvankelijk tot doel om de interne bevelshiërarchie in het leger te herstellen.

In november van dat jaar eiste een door de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken ingebracht ultimatum dat Japan zich ‘onmiddellijk’ zou terugtrekken uit China, op straffe van een totaal embargo op staal en aardolie (dat werd geïmporteerd uit voormalig Nederlands-Indië). Zonder die invoer was de Japanse oorlogseconomie gedoemd in te storten. Dit moest hoe dan ook worden voorkomen, het was tijd voor ogenblikkelijke actie. Japan ging op grote schaal meedoen aan de Tweede Wereldoorlog. Nu aan de kant van voormalig tegenstander Duitsland.

 

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 4, 2011 op 8:38 am

Conservatief rechts-nationalistisch maar toch betrekkelijk populair

laat een bericht achter »

Dit is – in één zin – de meest passende kwalificatie voor de Duitse schrijver Ernst von Salomon. Zoon van een politiebeambte in Sleeswijk-Holstein, overtuigd nationalist en vurig pleitbezorger van het Pruisen van weleer. Een man ook die medewerking verleende aan de moord op Walther Rathenau, in 1922.

Zijn medewerking aan de moord op Rathenau kwam hem op vijf jaar  ‘tuchtstraf’ te staan. Na zijn vrijlating bleef hij zich actief verzetten tegen de democratie. In 1927 leverde hem dit nogmaals een veroordeling wegens samenzwering op.

Populair bij de nazi’s
Vanaf 1930 begon hij succes te oogsten met zijn romans. Vooral Die Stadt en Die Geächteten waren sterk autobiografisch van aard. Zijn werk viel – vanwege de hang naar het Pruisen van vroeger – geweldig in de smaak bij de NSDAP. Vanaf het moment dat de NSDAP aan de macht kwam, werd het werk van Salomon nadrukkelijk door Joseph Goebbels gepromoot.
Salomon leverde de scripts voor tal van propagandistische films, zoals het ‘epos’ over Carl Peters, de stichter van Duits Oost-Afrika – het huidige Burundi, Rwanda en – een deel van – Tanzania.

Tijdens het Derde Rijk was het met name opvallend dat Salomon weliswaar actief meewerkte aan de nazistische propagandamachine, maar nooit tot de partij is toegetreden en zich als auteur het liefste op de achtergrond hield. Bovendien heeft hij zijn joodse vrouw in deze periode ook nooit in de steek gelaten.

Na de Tweede Wereldoorlog werd hij, zoals de meeste nazi’s, gearresteerd. De grootscheepse denazificatie vormde de aanleiding tot zijn beroemdste roman: Der Fragebogen (de enquête). Dit is een toespeling op de uitvoerige vragenlijst die ‘meelopers’ van het regime moesten invullen.
Salomon greep deze vragenlijst aan als stof voor een diepgravende dialoog met zijn eigen geweten en – als direct gevolg – een analyse van wat er onder het nazisme allemaal wel niet was misgegaan. Het boek was geschreven met de nodige ironie, maar in feite was het gewoon een virtuoze satire. Het werd een enorm succes en in meerdere talen vertaald. Het maakte Salomon in één klap wereldberoemd, maar tegelijk ook buitengewoon controversieel.

Een korte literaire analyse
De vertelstijl van Salomon is een combinatie van verslag en participerende observatie. In zijn meer dan eens droogkomische toon sijpelt een zekere romantische hang naar oude glorie en ‘heldendaden’ door. Ideologisch blijft hij stevig aan de rechterkant van het politieke spectrum. Maar zijn latere werk is in het algemeen voldoende toegankelijk om een breed publiek van alle niveaus te kunnen aanspreken.

In de literatuurkritiek wordt Salomon over het algemeen genegeerd. Deze terughoudendheid heeft alles te maken met zijn twijfelachtige politieke verleden.  Na zijn dood in 1972 is het met zijn bekendheid ook snel bergafwaarts gegaan. Maar toch heeft hij als verteller zijn verdiensten.

Geschreven doorGeschiedenisgek

september 1, 2011 op 11:04 am

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.