@Geschiedenisgek

Persoonlijke bespiegelingen op de (vaderlandse) geschiedenis

Archief voor augustus 2011

De Bierkellerputsch: mislukking of leerschool?

leave a comment »

De ‘Marcia su Roma’ leidde Benito Mussolini en zijn fascistische volgelingen in het Italië van 1922 naar de politieke macht. Adolf Hitler, net geïnstalleerd als leider van de Deutsche Arbeiterpartei (DAP), wilde met zijn Bierkellerputsch op dezelfde manier een staatsgreep plegen.

Als voorbereiding was een schokeffect nodig. Een heuse greep naar de (regionale) macht in Beieren – in die tijd een bestuurlijk onafhankelijk onderdeel van Duitsland. Als vertrekpunt koos hij de Bürgerbräukeller; de bierhal waar hij wekelijks zijn redevoeringen hield.

Hoewel Hitler (1889–1945) slechts een relatief kleine groep vertrouwelingen had, gingen zij vol goede moed van start met de voorbereidingen. Naast de initiatiefnemers, Hitler en de overige bestuurders van de DAP, waren dat vooral randfiguren uit het Thule-Gesellschaft, de geheime financiers van de partij. Oud-generaal en oorlogsheld Erich Ludendorff (1865–1937) zou als het gezicht van het protest fungeren.

Omsingeld
Het hogere doel van de zogeheten Bierkellerputsch was het vestigen van een nazistaat in Beieren. Daarvoor moest de toenmalige regering worden afgezet. Daartoe werd een politieke bijeenkomst georganiseerd op 8 november 1923. Daarbij waren circa 3.000 mensen aanwezig.
Toen de bijeenkomst net was begonnen, stormde Hitler de zaal in, trok een pistool en loste een waarschuwingsschot. Samen met hem kwamen circa 600 SA-soldaten en leden van het Freikorps Oberland de zaal binnen. Volgens getuigen klom Hitler op het podium en riep: “De zaal is omsingeld door gewapende militairen! De nationale revolutie is begonnen!”

Wat er die avond precies is voorgevallen, zullen we nooit weten, maar feit is wel dat Hitler zich aan het einde van de avond had verzekerd van de steun van de vier aanwezige BeierseOp de avond van zijn mislukte 'staatsgreep' sprak Hitler voor een uitverkocht huis. politici.

De mars
In de vroege ochtend van 9 november zou Hitler volgens plan met de eerste etappe van zijn mars op Berlijn beginnen. De eerste stopplaats was het centrum van München. Hij wist intussen dat leger en politie stellingen hadden ingenomen. Maar omdat de mars geleid werd door oud-generaal Erich Ludendorff verwachtte hij geen tegenstand van betekenis. Een grote inschattingsfout, zoals later bleek.
Hitler begon zijn mars met 3.000 medestanders, waaronder latere NSDAP-grootheden als Hess, Göring en Himmler. Aangekomen bij de Residenzstrasse werden zij opgewacht door een groepje soldaten en politiemannen. Het waren er niet meer dan 100, maar tot de tanden toe bewapend. Er ontstond een schotenwisseling en totale paniek aan de kant van de nazi’s. Ludendorff werd gearresteerd en afgevoerd. De man die naast Hitler stond viel dood neer. Hitler zelf struikelde en ontwrichtte zijn schouder. Hij wankelde overeind en vluchtte achter de stoet aan, waarna hij per auto kon vluchten naar de woning van Ernst Hanfstaengel, een van zijn rijke vrienden. Binnen enkele minuten was alles voorbij. Er kwamen 16 nazi´s en 3 politieagenten om het leven.

Hoogverraad
Hitler zelf werd gearresteerd en enkele dagen later voor het gerecht gebracht. Hij werd verdacht van hoogverraad. In die tijd gewoonlijk genoeg voor vrijwel standrechtelijke executie. In een schijnproces werd hij tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij moest zijn straf uitzitten in Landsberg Am Lech, een gevangenis die in alle opzichten meer weg had van een hotel. Hij kreeg er veel bezoek en schreef er ‘Mein Kampf’. Cadeaus, bloemen, steunbetuigingen: alles werd in grote hoeveelheden aangevoerd. Ook werd hij er door sommige bewakers zelfs stiekem met ‘Heil Hitler’ bergroet.

Onder invloed van de faam die het proces hem had bezorgd en de ’Führer-cultus’ waar zijn aanhangers hard aan werkten, had Hitler alle tijd om na te denken over zijn terugkeer naar deLudendorff en Hitler, de hoofdverdachten van de mislukte staatsgreep in Beieren. politieke arena. En die kwam sneller dan iedereen dacht.

Vrij man

Op 25 september 1924 werd het verzoek tot vervroegde invrijheidstelling door de rechtbank gehonoreerd. Het Hof was van mening dat, “gezien de persoonlijkheid van de veroordeelden en de motieven voor hun daad”, het uitzitten van een relatief gering deel van hun straf voldoende was. Op 20 december 1924 om kwart over twaalf in de middag werd Hitler op vrije voeten gesteld. Op het Openbaar Ministerie noteerde iemand in zijn dossier dat hij nog 3 jaar, 333 dagen, 21 uur en 50 minuten van zijn relatief korte straf tegoed had. Nu hij alweer vrij man was, kon hij voorbereidingen treffen voor een nieuwe start van zijn NSDAP.

Mislukking of leerschool
Later zou hij verklaren dat de mislukte staatsgreep eigenlijk toch als een succes moest worden beschouwd. Als het hen in die tijd was gelukt om de zwakke Weimar-regering omver te werpen, dan waren zij in een situatie beland die nooit had kunnen worden opgelost. De nazipartij bestond nog maar vier jaar en men was gewoonweg niet in staat om een land te besturen.

Achteraf bezien kan de Bierkellerputsch als Hitlers enige strategische fout worden beschouwd die hij maakte tijdens zijn opmars naar de politieke macht, dat hem in 1933 het ambt van Rijkskanselier zou brengen.

Written by Geschiedenisgek

augustus 29, 2011 at 5:56 pm

Concentratiekampen en kruidentuinen

leave a comment »

In tegenstelling tot Hermann Göring – zijn onbedwingbare hebzucht moet de nazi’s indertijd miljoenen hebben gekost – was Himmler sober tot op het extreme af. Nooit gaf hij blijk van enige belangstelling voor geld of materieel bezit. En hoewel hij na Hitler op een zeker moment was opgeklommen tot machtigste man van het Derde Rijk, bleef zijn salaris beperkt. Evenmin was hij geneigd tot enigerlei vorm van financiële corruptie.  Van al deze praktijken hield Himmler zich verre. Hij bezielde zijn SS met de idealen van de Teutoonse ridders en verbood hun, op straffe des doods, ooit hun handen te bezoedelen ‘met zoveel als een geconfisqueerde sigaret.’ ‘Hij die een slachtoffer ook maar van één pfennig berooft,  zal sterven’, heeft hij ooit eens gezegd.

Anders dan veel andere medestanders van Hitler, was Heinrich Himmler een man van merkwaardige uitersten.Een klein aantal SS’ers vond het nodig dit bevel te negeren. Ze stierven stuk voor stuk voor het vuurpeloton. Wij hadden het morele recht, wij waren het tegenover ons volk verplicht dit volk (de joden) te doden dat ons wenste te doden. Maar wij hebben niet het recht onszelf te verrijken met een horloge, een mark, een sigaret of wat dan ook. Ik zal nooit lijdelijk toezien bij slechts de geringste rotte plek of deze zelf veroorzaken. Waar ze ook aan de dag treedt, wij zullen ze samen uitbranden.
De nobele ‘Ridderschapsorde’ waarmee Himmler zijn SS-leiders bekleedde, was geen pure abstractie. ‘De SS vertegenwoordigt de raszuiverheid’, schreef hij. ‘De leiders moeten waardig onderwezen worden in de tradities van hun voorgangers.’

Ridders van de Teutoonse orde
De voorgangers waar hij aan dacht, waren de ridders van de Teutoonse Orde, die in de 12e eeuw een hospitaal bouwden voor christenen die leden onder de verwoestingen, aangericht door de heidense Goten, en dat daarna een militair genootschap werd, dat betrokken raakte bij de bekering der heidenen tot het christendom. Dit gebeurde overigens meer door wreedheid dat door missiearbeid.
Zij combineerden hun missiearbeid met territoriale veroveringen.  Himmler kreeg Hitler zelfs zover, dat hij instemde met de bouw van een middeleeuws kasteel (de Wewelsburcht) in Paderborn, Westfalen.  Naar de mening van Himmler was dit noodzakelijk om hooggeplaatste SS-officieren met de ‘geest van Duitslands vroegere en nu weer terugkerende grootheid te indoctrineren’.

Wewelsburg, het extreem kostbare speeltje van Himmler.De bouwkosten van de Wewelsburcht – volgens zeggen 11 miljoen Mark – vormde de enige belasting die Himmler ooit aan de staatskas heeft opgelegd. Zijn huis in Gmund heeft hij betaald met de opbrengst van zijn boerderij in Waltrudering. Hij vulde het kleine verschil met de koopprijs aan met een hypotheek waarover hij bereidwillig een exorbitante rente betaalde. Rente betalen was een van de verplichtingen van een lener die, gevraagd of ongevraagd, altijd moest worden nagekomen, vond hij.

Concentratiekamp Dachau
Dit toonbeeld van financiële deugd vond op 7 oktober 1935 – zijn verjaardag – een nieuw speeltje. Het concentratiekamp Dachau was verbouwd en werd  in gebruik genomen. Persoonlijk leidde hij er een groep prominente bezoekers rond – waaronder Rudolf Hess, indertijd Hitlers plaatsvervanger en vroegere secretaris.  Vol trots liet hij de zoeklichten zien, de onder stroom staande omheiningen en de machinegeweerposten. Alles om ontsnappingen te voorkomen. ‘De installateurs vertellen mij dat er een spanning van 75.000 Volt op de omheining staat en dat iedereen die de draden aanraakt, onmiddellijk in een zwart verbrande korst verandert. Het is een bijzonder verschijnsel.’ In die tijd begon het effect van de Neurenberger Wetten bij de toevoer van gevangenen.

Er waren geen sporen van wreedheid te zien – maar Himmler zei op spijtige toon dat vroeg of laat streng zou moeten worden opgetreden, omdat het ‘uitschot der aarde’ dat hier kwam nu eenmaal niets anders verstond. Het ergste zou het voor de kampwachten en hun gezinnen zijn hier te moeten wonen. Zo dicht bij zulke onprettige toestanden.

Himmler voegde aan dit even misplaatste als lachwekkende medelijden nog een nadere verklaring toe: ‘Het is de tragedie van de elite deel te hebben aan de gewelddaden voor de glorie van het vaderland.’ Daarna begon hij uit te leggen dat zijn Totenkopf-eenheden (de naam die hij had gegeven aan de SS’ers die voor de dienst in het concentratiekamp waren aangewezen) op velerlei manieren compensatie ontvingen voor het door hen gebrachte offer.

Deze compensaties bestonden uit het privilege vóór het ontbijt te mogen luisteren naar lezingen over het inspirerende leven van Adolf Hitler of lezingen uit Der Mythus des 20. Jahrhunderts van Rosenberg. De vrouwen en kinderen van de Totenkopfwachten, die ouder waren dan 2 jaar, werden eveneens gelast om naar deze hoogverheffende lezingen te luisteren. Na afloop van de lezing volgde het ontbijt: havermoutpap, Apollinaris-mineraalwater, prei en kruidenthee, samengesteld naar een recept van Marga Himmler. Enkele vrouwen van de SS’ers beweerden dat de havermeelpap hen vet maakte, was niet in overeenstemming was met het nazi-noords genetische patroon dat door Himmler was vastgesteld. Maar de Reichsführer verzekerde hen dat dit een foutieve veronderstelling was. Als bewijs hiervan wees hij op Anthony Eden en Neville Henderson, die beiden slank waren en uit de Britse aristocratie stamden – ‘in welke kringen nooit iets anders dan havermoutpap als ontbijt werd gegeten.’

Written by Geschiedenisgek

augustus 27, 2011 at 6:15 pm

De Lof der Zotheid: al 500 jaar wereldberoemd

leave a comment »

Het precieze geboortejaar van Desiderius Erasmus is onbekend. De Humanistische Canon noemt 1466. Ook 1467 en 1469 worden genoemd. Wat we wel zeker weten, is het jaar waarin zijn beroemdste werk – Lof der Zotheid – verscheen. Dat was in 1511. In 2011 exact 500 jaar geleden.

De Nederlandse humanist en schrijver Erasmus schreef Lof der Zotheid als vorm van amusement. Hij ontwierp een kosmos waarin narren en mensen die voor dom, voor dwaas of voor naïef doorgaan de gelukkigste mensen blijken te zijn.
Dat mensen zich vandaag de dag nog altijd heel precies herkennen in dit tijdsbeeld, heeft alles te maken met het feit dat -naast alle leeftijden – óók alle ‘rangen en standen’ in het boek voorkomen. Van advocaat tot bedrogen echtgenoot, van vrome ziel tot brutale zakenman en van ijdele politicus tot eenvoudige burger. Iedereen ontmoet zichzelf in de Lof der Zotheid.

Zoals gezegd werd het boek in 1511 voor het eerst uitgegeven. Het verscheen allereerst in Parijs. Het succes was zo enorm, dat het boek in de daaropvolgende 25 jaar maar liefst 45 maal werd herdrukt. Aanvankelijk werd Lof der Zotheid slechts in het Latijn gepubliceerd. De eerste Nederlandse vertaling door Johan Geillyaert verscheen in 1560.

In de Lof der Zotheid biedt Erasmus ons een blik in het dagelijks leven kort na 1500. Voornamelijk gebaseerd op observaties tijdens zijn verblijf in Italië. De Lof der Zotheid ontstond in eerste aanleg op de thuisreis naar Engeland. De opmerkingen en observaties van Erasmus (die in het boek worden verteld door de figuur Stultitia (de Zotheid), sluiten naadloos aan op die van Jakob Burckhardt in Die Kultur der Renaissance in Italien, in Nederland uitgegeven onder de titel ‘De Cultuur der Italiaanse Renaissance’.  Twee thema’s doorkruisen elkaar voortdurend: de heilzame dwaasheid – die echte wijsheid in zich draagt – en de verwaande wijsheid, die nooit meer dan volkomen dwaasheid is. Op deze manier tekent Erasmus een uniek beeld van de mensheid.

Renaissance en reformatie
Het werk ontstond enerzijds tegen de achtergrond van een herleving van de klassieke humanistische visies van de mens uit de oudheid. Anderzijds speelde de interne strijd tegen een zich superieur wanende katholieke kerk een rol. Velen zochten naar een meer menselijke invulling van het christendom en naar een vorm van emancipatie en vrijheid van allerlei machten en dogma’s.

Voor veel mensen gold de Lof der Zotheid als leidraad die de weg vrijmaakte voor de reformatie, aan het begin van de 16e eeuw. De reformatie, aanvankelijk bedoeld om de katholieke kerk van binnenuit te hervormen, kreeg een gezicht door figuren als Maarten Luther (1483-1546) en Johannes Calvijn (1509-1564). Eigenlijk was de beweging al in de Middeleeuwen ontstaan als protest tegen allerlei misstanden, zoals aflaten, geldzucht en machtswellust. Deze worden stuk voor stuk in de Lof der Zotheid door Stultitia met het nodige sarcasme en humor aan de kaak gesteld.

Bijbels humanisme
“Die apostelen vieren wel op vrome wijze het avondmaal, maar je had ze niet moeten vragen tussen welke tijdstippen de transsubstantiatie zich voltrekt; hoe hetzelfde lichaam tegelijkertijd op verschillende plaatsen kan zijn; het verschil van Christus’ lichaam zoals het aan het kruis was en zoals het bij het sacrament van het avondmaal is; op welk moment de transsubstantiatie plaatsvindt, daar immers de formule die haar tot stand brengt een eenheid is die echter in tijd uiteenvalt – dan hadden ze, dunkt me, niet zo’n scherpzinnig antwoord gegeven als de aanhangers van Scotus (een Franciscaanse theoloog en filosoof) wanneer die hierover discussiëren en definities geven. De apostelen kennen Jezus’ Moeder; maar wie onder hen heeft zo filosofisch aangetoond hoe zij behoed was voor de erfzonde als onze theologen!” (Uit: Lof der Zotheid)

In veel passages van het boek zet Erasmus zich af tegen uiterlijke geloofstekens. Alle vormen van ‘uitwendige geloofsbeleving’ moeten het ontgelden: heiligen-, relieken- en beeldenverering, bedevaarten en opzichtig bidden. Allemaal volstrekt onnodige tekenen van devotie. Maar tegelijkertijd wil hij niemand deze dingen ontzeggen. Als iemand meent ze nodig te hebben, dan moet dat kunnen. Door de mond van Stultitia spreekt hij als humanist, voorstander van de vrije wil en van tolerantie.

Tolerantie
De tolerantie die blijkt uit de Lof der Zotheid, is diep doorgedrongen in het openbare leven van de Nederlanden. De humanistische en vredelievende leer werkt na Erasmus door in politieke figuren als Willem van Oranje (1533-1584), Filips van Marnix van Sint-Aldegonde(1540-1598)  en Johan de Witt (ca.1625-1672), bij 17e eeuwse schrijvers als Joost van den Vondel (1587-1679) en Pieter Cornelisz. Hooft (1581-1647) en geleerden als Hugo de Groot (1583-1645), Christiaan Huygens (1629-1695) en Baruch de Spinoza (1632-1677).

In de Lof der Zotheid leren we Erasmus kennen als iemand die met beide benen op de grond staat en genadeloos het gedrag van zijn medemens registreert. Ook in de interactie tussen mensen is er nauwelijks iets dat hem ontgaat. Er zijn in de literaire geschiedenis geen auteurs te vinden die in zo’n korte tijd een zo volledig beeld van de mensheid hebben opgeroepen in zo’n grote verscheidenheid van situaties.

Een nieuwe Lof der Zotheid
Naar aanleiding van het (bijna) 500-jarige jubileum van Lof der Zotheid schreef Arnon Grunberg in 2001 het boek De mensheid zij geprezen. Een nieuwe Lof der Zotheid (Athenaeum-Polak & Van Gennep), een naar het heden getrokken verdedigingsrede en tegelijkertijd loflied op de mens. Grunberg laat een mens aan het woord die alle leugens en laster over zichzelf en zijn soortgenoten durft te bestrijden. Die oprecht het beste met de mensheid voorheeft. Als je De mensheid zij geprezen hebt gelezen, zie je de wereld zoals zij is bedoeld: als een bijzondere poppenkast.

Bronnen:
Erasmus: Lof der Zotheid of De Dwaasheid gekroond. Een pronkrede (gebruikte editie uit 2009).
www.humanistischecanon.nl/christelijk_humanisme/erasmus
http://www.erasmus.org 
Klaas Potjewijd: Zo ontstond de Lof der Zotheid (Almere, 2008)

Written by Geschiedenisgek

augustus 26, 2011 at 9:52 am

Vergeten volksvertegenwoordigers: dr. Jelle Zijlstra

leave a comment »

Topeconoom uit de hoek van de ARP – één van de bloedgroepen van het huidige CDA. Na een relatief korte carrière als hoogleraar aan de Vrije Universiteit werd hij minister van Economische Zaken in het kabinet-Drees III en vervolgens minister van Financiën in het kabinet-De Quay. Zijlstra was een uitstekend spreker die de meest complexe problemen uitermate helder, zonder ook maar één letter vakjargon te gebruiken, kon uitleggen.

Op het moment dat Zijlstra in 1937 aan zijn studie economie begon, werd het vakgebied beheerst door de opvattingen van John Maynard Keynes, die erop wees dat de staat een rol diende te spelen in het bestrijden van depressies. De economische opvattingen van antirevolutionairen als regeringsleider H. Colijn en minister van Financiën J.A. de Wilde, die beiden slechts oog hadden voor een sluitende begroting, werden als achterhaald beschouwd.

Op 30-jarige leeftijd hoogleraar
Op 28 oktober 1948 hield Zijlstra aan de VU zijn inaugurele rede ‘Enkele algemene aspecten van het vraagstuk van de economische orde’ als hoogleraar theoretische economie.
Hij viel al snel op door zijn pragmatische economische opvattingen.

Zijlstra engageerde zich al zeer snel zowel maatschappelijk als politiek. Zo was hij in 1949 medeauteur van het zogeheten ‘professorenadres’. Een aantal hoogleraren economie nam daarmee stelling tegen de vanuit katholieke hoek sterk gepropageerde wetgeving over de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO). In 1951 werd Zijlstra niettemin kroonlid van de Sociaal Economische Raad (SER).

Minister van Economische Zaken

Op 2 september 1952 bereikte Zijlstra zijn eerste ministerspost – hij was toen overigens pas 34 jaar! Hij werd minister van Economische Zaken in het derde kabinet Drees.

Als relatief onervaren in het politieke circuit werd er – mede ook vanwege zijn ongebruikelijk jonge leeftijd – met argusogen naar deze benoeming gekeken. Maar na zijn eerste optreden in het parlement was dit onderhuidse gevoel van wantrouwen direct verdwenen. Zijlstra’s  vermogen om de meest complexe economische onderwerpen glashelder uit te leggen, leverde hem bovendien veel waardering op.
Zijlstra trad aan toen de Nederlandse economie aan een periode van sterke groei begon. Dat tijdvak duurde tot 1955. Het maakte de beginjaren van Zijlstra’s ministeriële loopbaan betrekkelijk eenvoudig. Zijn voornaamste zorg betrof het in de hand houden van de prijzen. Dit om oververhitting van de economie door het ontstaan van een zogenoemde ‘loon-prijsspiraal’ te voorkomen. De industrie werd gestimuleerd door drie zogeheten industrialisatienota’s in 1953, 1955 en 1958.

Na het vertrek van toenmalig fractievoorzitter Schouten, werd Zijlstra aangewezen als kandidaat-lijsttrekker voor de verkiezingen van 1956. Alle inspanningen ten spijt, kwam de ARP aan de eindstreep met een verlies van 2 zetels. Hoewel de partijleiding eigenlijk meer afstand wilde nemen van de Partij van de Arbeid, nam men toch zitting in het vierde kabinet Drees. Zijlstra werd er opnieuw minister van Economische Zaken.

De verslechterende economie zorgde voor sterk toenemende spanning tussen de regeringspartners. Op 11 december 1958 kwam het kabinet ten val over een meningsverschil over de duur van een extra belastingmaatregel. Dit was voor Zijlstra het moment dat hij sterk begon te twijfelen over de continuering van zijn loopbaan in de politiek. Eigenlijk wilde hij liever terug naar de wetenschap.

Minister van Financiën

Hoewel de ARP tijdens de verkiezingen van 1959 opnieuw verloor, trad zij toch tot het kabinet-De Quay. Zijlstra kreeg daarin het ministerie van Financiën onder zijn hoede.

Toen dit kabinet tijdens de beruchte ‘Nacht van Schmelzer’ ten val kwam, kreeg Zijlstra de opdracht om een overgangskabinet te vormen. Hij meende in het landsbelang niet te kunnen weigeren. Al zes(!) dagen later trad hij aan als premier en minister van Financiën van een minderheidskabinet van bewindslieden van KVP en ARP. Tijdens zijn korte regeerperiode werden maatregelen genomen om de dekkingsproblemen op te lossen – uitstel van de voorgenomen verlaging van de loon- en inkomstenbelasting en verhoging van de omzetbelasting – en kwam de Omroepwet tot stand.

 De sfeer in de ministerraad onder leiding van Zijlstra was goed, conflicten kwamen nauwelijks voor. In het land was hij enorm populair. Hoewel Zijlstra niet eens op de kandidatenlijst stond, droeg het ‘Jelle-effect’ – veroorzaakt door de vertrouwenwekkende indruk die hij als interim-premier maakte – bij aan twee zetels winst voor de ARP bij de Kamerverkiezingen van 1967. Bij de vorming van het kabinet-De Jong, dat na deze verkiezingen aantrad, fungeerde Zijlstra louter nog als informateur.

Kort daarna werd Zijlstra benoemd als president-directeur van De Nederlandsche Bank. Vanaf juni 1967 combineerde hij dit ambt met de functie van president van de Bank voor Internationale Betalingen in het Zwitserse Bazel. Na zijn pensionering werd Zijlstra op 30 april 1983 benoemd tot minister van Staat. De laatste maanden van Zijlstra’s leven werden gedomineerd door een verslechterende gezondheid, waarbij zijn onwaarschijnlijk scherpe geheugen hem steeds meer in de steek liet.
Kort voor Kerstmis 2001 overleed hij op 83-jarige leeftijd in zijn appartement in Park ‘Oud-Wassenaar’, waar hij sinds zijn pensionering woonde.

Zijlstra was geen politicus vanuit een roeping – en al helemaal geen ideologische scherpslijper. Zijlstra had de politieke ambten niet gezocht. Ze werden hem vanwege zijn kwaliteiten aangeboden. Door zijn unieke talenten groeide hij – misschien wel tegen wil en dank – uit tot een van de meest invloedrijke Nederlandse politici van de tweede helft van de 20e eeuw.

Written by Geschiedenisgek

augustus 24, 2011 at 2:34 pm

Het ontstaan van ‘modern’ antisemitisme

leave a comment »

Voor zover kan worden nagegaan, werd de term ‘antisemitisme’ in de moderne tijd voor het eerst gebruikt door Wilhelm Marr, onder meer in zijn ‘Antisemitische Hefte’ uit 1879. Het verschijnsel zelf is echter al veel ouder dan de 19e eeuw.

Over het algemeen komt antisemitisme voort uit bepaalde specifiek te benoemen ideologieën: christendom, islam, communisme, racisme, fascisme en nationaalsocialisme om er maar eens een aantal over de bühne te brengen.

Denkfouten kunnen echter ook de oorzaak zijn van antisemitische denkbeelden. Zo concludeerde de 19e eeuwse Duitse componist Richard Wagner – een overtuigd antisemiet – dat wanneer hij iemand niet mocht, die iemand dus wel een jood ‘moest’ zijn. Of anders toch op zijn minst diens moeder een Jodin moest zijn geweest.
Dit neemt echter niet weg dat Wagner de premières van zijn opera’s louter toevertrouwde aan joodse dirigenten. Hoezo, een vreemde manier van denken?

Mystiek antisemitisme
In Duitsland en de zgn. ‘Duitse landen’ binnen Oostenrijk-Hongarije werden aan het einde van de 19e eeuw xenofobe en antisemitische clubs opgericht. Daarin werd verering van Germaanse goden gecombineerd met allerlei pseudowetenschappelijke biologische opvattingen over de vermeende superioriteit van het Duits/Germaanse volk. Deze op geen enkele manier onderbouwde ideeën werden gecombineerd met vergelijkbare waanideeën over de vermeende minderwaardigheid van joden, zwarten, zigeuners en de Mongoolse volkeren. Een van de bekendste predikers van dit gedachtegoed was Georg Ritter von Schönerer, het vermoedelijke voorbeeld voor Adolf Hitler.

Nationaalsocialistisch antisemitisme
Antisemieten die zich niet meer tot de mystieke kant van hun ‘overtuiging’ voelden aangetrokken (Von Schönerer en Lueger, indertijd burgemeester van Wenen zijn daar voorbeelden van) zochten hun toevlucht tot massabewegingen. Hun antisemitisme richtte zich via sterk populistische toespraken tot de massa om hen te winnen voor het Duitse nationalisme en antisemitisme. Von Schönerer en Lueger propageerden antimarxistische en populistische ideeën en pleitten nadrukkelijk voor het verbeteren van de maatschappelijke positie van arbeiders en boeren om hen van het oprukkende internationale marxisme af te houden. De ‘schuld’ van alle sociale misstanden lag ‘natuurlijk’ bij de joden.

Na het Duitse verlies in de Eerste Wereldoorlog schoten de antisemitische clubs spreekwoordelijk als paddenstoelen uit de grond. De bekendste daarvan waren  het Thule-Gesellschaft, de Deutsche Arbeiterpartei en de Deutsche Socialistische Partei.

Adolf Hitler sloot zich in september 1919 aan bij de Deutsche Arbeiterpartei (DAP). Eén van zijn eerste activiteiten was het omvormen van de partij tot een massabeweging. Tegelijk werd de naam gewijzigd in NSDAP. Hitlers antisemitisme week op inhoud nauwelijks af van de boodschap van Von Schönerer; de manier waarop hij zijn verhaal echter aan de man bracht – via goed gestructureerde en geregisseerde toespraken – maakte hem mateloos populair bij de massa.

Antisemitisme als geformaliseerd beleid
Het moment dat Hitler in 1933 tot rijkskanselier wordt benoemd, markeert de invoering van antisemitisme tot geformaliseerd overheidsbeleid. Duitse joden werden door de Neurenberger Rassenwetten tot rechteloze burgers. De discriminatie van de joodse bevolking van de bezette gebieden bereikte dieptepunten die nooit eerder voor mogelijk werden gehouden. Tussen 1942 en 1945 werden naar schatting zes miljoen Europese joden in de diverse nazi-concentratiekampen vermoord.

Written by Geschiedenisgek

augustus 18, 2011 at 1:54 pm

De Tijger van Malakka

leave a comment »

Zo was luitenant-generaal Tomoyuki Yamashita beter bekend. Hij dankte deze ‘erenaam’ aan zijn inname van Malakka en Singapore tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In 1940 was Yamashita als inspecteur-generaal van de Japanse luchtmacht op militaire missie in het Duitsland van Hitler. Hij kwam terug met het advies dat Japan zowel Amerika als Groot-Brittannië nooit de oorlog zou moeten verklaren voordat zowel het leger als de luchtmacht ingrijpend waren gemoderniseerd.
Toen de oorlog daarna toch uitbrak, werd Yamashita bevelhebber van het 25e leger.

Begin december voltooide hij de invasie van het schiereiland Thai; binnen 70 dagen daarna was heel Malakka onder de voet gelopen. Dit kwam vooral door de enorme snelheid waarmee Yamashita en zijn mannen opereerden. Hoewel hij bij aankomst in Singapore door zijn voorraden heen was, wist hij generaal Percival er door een onvervalst spelletje blufpoker van te overtuigen dat de Japanners ver in de meerderheid waren.
Op 15 februari 1942 gaf Percival zich over.

Bevel in Mantsjoerije
Na deze successen werd Yamashita door Tojo teruggeroepen om het bevel op zich te nemen over het 1e legerkorps dat voor trainingsdoeleinden in Mantsjoerije actief was.
Pas nadat Tojo in 1944 was afgetreden, werd Yamashita opnieuw naar het front gestuurd. Hij kreeg het bevel over het 14e leger, dat de Filippijnen moest verdedigen.

Terug naar het front
Toen Yamashita daar nog maar net was aangekomen, openden de Amerikaanse troepen onder leiding van de al even roemruchte generaal Douglas MacArthur de aanval. Zonder adequate verdedigingsstrategie en zonder zeggenschap over de Japanse gevechtsvliegtuigen op het eiland, kreeg Yamashita het uitdrukkelijke bevel om koste wat kost stand te houden.

Begin 1945 was het Japanse verzet volledig gebroken. Toen de Amerikanen in januari 1945 op het eiland Luzon landden, kon Yamashita zich aanvankelijk slechts terugtrekken. Toch zag hij binnen een week kans om de tegenaanval in te zetten.Ondanks het feit dat zijn leger niet of nauwelijks meer werd bevoorraad, bleef hij uit alle macht operaties uitvoeren. Hij stopte hier pas mee, toen hem op 2 september het bericht bereikte dat zijn land zich zou overgeven.

De Berechting
Van 29 oktober tot 7 december 1945 werd Generaal Yamashita door een Amerikaans militaire commissie wegens oorlogsmisdaden berecht voor zijn vermeende aandeel in wat bekend zou worden als het ‘Bloedbad van Manilla’. Hierbij brachten tussen 4 februari en 3 maart 1945 19.000 Japanse troepen, die in de Filippijnse hoofdstad Manilla door de Amerikanen waren omsingeld, meer dan 100.000 burgers op gruwelijke wijze ter dood.

De snelheid van de rechtsgang leverde  kritiek op. Tijdens het proces bleek dat Yamashita niet op de hoogte van de misdaden was geweest. Bovendien had hij tijdens de Amerikaanse aanval op Manilla zijn troepen niet of nauwelijks kunnen leiden, doordat de verbindingen daarmee juist als gevolg van dat offensief waren verbroken. Daarnaast waren de meeste wreedheden begaan door troepen die niet onder Yamashita’s bevel stonden, maar onder dat van Sanji Iwabuchi, viceadmiraal van de Japanse Keizerlijke Marine. Desondanks werd Yamashita ter dood veroordeeld en opgehangen.

Written by Geschiedenisgek

augustus 15, 2011 at 6:40 pm

De eigen ‘evenementenhal’ van de nazi’s

leave a comment »

Toen Hitler in Bayern aan zijn politieke ‘loopbaan’ begon, koos hij de Bürgerbräukeller – een groot café – in München als thuisbasis. Na een moeizame start zou hij er wekelijks spreken. Die bijeenkomsten werden door duizenden aanhangers bezocht. Op die plek begon in de nacht van 8 op 9 november 1923 zijn mislukte staatsgreep. Ook werd er één van de 42 aanslagen op het leven van de Führer gepleegd. Kortom: een meer dan bijzondere locatie met veel historische waarde.

De Bürgerbräukeller was tot 1979 gevestigd aan de Rosenheimerstrasse 15. Tegenwoordig de locatie van één van de Hilton-hotels die de stad rijk is.  Het eerste politieke hoogte- of dieptepunt dat op deze locatie werd beraamd was de Bierkellerputsch, de mislukte poging (van Hitler en de NSDAP) om de wankele regering van Weimar uit het zadel te wippen. Deze mislukking werd in het vervolg  jaarlijks in München herdacht.

Hitler maakte er dan een gewoonte van om die avond te spreken. Op 8 november 1939 zag Georg Elser – een overtuigd antifascist – zijn kans schoon. Omdat de herdenkingsbijeenkomsten van de zogenaamde Bierkellerputsch zeer slecht werden beveiligd, kon hij er ongestoord een bomaanslag plegen. De aanslag mislukte omdat Hitler door het slechte weer niet per vliegtuig, maar per trein naar Berlijn terugkeerde. Daarom was hij vroeger vertrokken (en dus ook eerder met zijn toespraak begonnen).
Om 21.20 uur – 8 minuten nadat Hitler was vertrokken – ontplofte de bom. Bij de aanslag vielen 8 doden en raakten 63 mensen gewond. Elser kwam juist voor het einde van de oorlog aan zijn einde. In het concentratiekamp Dachau werd hij met een nekschot om het leven gebracht. Elser wordt door Geert Mak  (in diens boek In Europa) een lichtpuntje genoemd in een verder donkere periode.

De Bürgerbräukeller werd in oorspronkelijke staat hersteld en zou pas in 1979 worden gesloopt.

 

 

 

 

Written by Geschiedenisgek

augustus 15, 2011 at 7:19 am

Hermann Göring en de NSDAP – deel 12

leave a comment »

De Poolse veldtocht duurde welgeteld drie weken. Voor de Luftwaffe van Göring een kleinigheid. Met de even onstuimige als razendsnelle Blitzkrieg werd de Poolse luchtmacht volkomen overrompeld. De eerste van een serie propagandafilms – Vuurdoop – ontstond tijdens deze gevechten. Aan het einde ervan kwam Göring zelf in beeld. Dit, zo zei hij met nauwelijks verholen grootheidswaanzin, staat Engeland straks ook te wachten. 

De Luftwaffe was voor haar succes voornamelijk afhankelijk van korteafstandjagers en duikbommenwerpers. Het gebruik van zware lange-afstandbommenwerpers was zowel door Göring als door Hitler verworpen. Daarom was de productie ervan in Duitsland nooit ter hand genomen. Nadat Polen – op grond van een geheim verdrag met het Rusland van Stalin – in twee delen was gesplitst, deed Hitler pogingen om met Engeland en Frankrijk tot een voor Duitsland gunstige vrede te komen. Zonder succes.
Tijdens de winter van 1939-1940 streefde Hitler openlijk naar het bereiken van een diplomatieke oplossing voor het geschil waarvan hij zelf de aanleiding was. Tegelijkertijd was een extreemrechtse  ondergrondse beweging aan een eerste poging begonnen om Hitler ten val te brengen.

Polen geplunderd
Göring was intussen begonnen met het plunderen van Polen. Werkelijk alles van de Poolse economie dat ook maar van enige waarde was, werd samengesmolten met de economie van het Duitse Rijk. De westelijke territoria werden direct in Groot-Duitsland opgenomen; het centrale deel van Polen werd tot een vazalstaat: het Generaal-Gouvernement.  Göring was in oktober 1939 de ondertekenaar van alle decreten waarmee Himmler volmacht kreeg om Polen te ‘germaniseren’. Er was zoveel behoefte aan menselijke arbeidskrachten en grondstoffen, dat Polen heel snel leerde wat het betekende om een slavenvolk te zijn.

In de bij het Rijk ingelijfde territoria werden bezittingen op grote schaal in beslag genomen. Raszuivere Duitsers werden gedwongen naar het oosten overgebracht om het uit Duitsers

Proclamatie van het Generaal-Gouvernement

bestaande deel van de bevolking te vergroten.  De in aantal grote Joodse bevolking van Polen, die te groot was om anders dan door genocide te worden ‘opgeruimd’, werd samengebracht in zogenoemde getto’s, die werden ingericht in de huurkazerne- en sloppenwijken van de grote steden. Ook werd een deel van hen toen al overgebracht naar concentratiekampen die – onder toezicht van de SS – op Poolse bodem werden ingericht.

Doelwit West-Europa
Hitler ging zich nu voorbereiden op zijn campagne tegen West-Europa. Göring had het oog nu gericht op de rijkdommen van Frankrijk, België en Nederland. Er werden economische liaison-officieren aan het bezettingsleger toegevoegd. Daarmee konden bedrijven of grondstoffen die voor Duitsland van belang waren direct worden geconfisqueerd.  De aanval kwam in de lente van 1940. Op 9 april trokken de Duitse legers Noorwegen en Denemarken binnen.  Deze veldtocht was voor het einde van de maand voltooid. Hierna waren Nederland en België aan de beurt.
Op 14 juni gevolgd door Frankrijk.

Het enige legeronderdeel dat tijdens deze campagne (relatief) zware verliezen leed, was de vloot. Göring vond dat hem de eer voor deze bliksemcampagnes toekwam. Hij leerde echter spoedig dat Hitler, telkens als hij meende dat het kon, steeds bereid bleek zijn plaatsvervanger op een zijspoor te plaatsen.

 

Lees hier deel 11 van de serie over Hermann Göring en de NSDAP


Written by Geschiedenisgek

augustus 9, 2011 at 6:58 am

Anders denken in het Duitsland van Adolf Hitler

leave a comment »

Toen Hitler in 1933 langs democratische weg de politieke macht in Duitsland in handen kreeg, was het vrijwel direct gedaan met iedere vorm van politieke discussie. Toen hij nog minister van Binnenlandse Zaken van Pruisen was, had Göring al de aanzet gegeven voor het inrichten van concentratiekampen, een speciaal soort ‘gevangenis’ waarin politieke tegenstanders, anders denkenden en  Joden konden worden opgeborgen. Met steun van de zojuist benoemde Reichsführer SS (Heinrich Himmler) ging Hitler een flinke stap verder. Hij besloot tot de inrichting van Dachau, een ‘experimenteel’ kamp waarin vooralsnog plaats zou zijn voor 5.000 gevangenen.

Het arrestatiebevel voor verdachte personen, die werden voorbestemd om naar Dachau te worden overgebracht, was akelig precies:

‘Op grond van artikel 1 van het Decreet van de Rijkspresident voor de Bescherming van Volk en Staat wordt u, in het belang van de openbare veiligheid en orde, in Schutzhaft genomen. Reden: verdenking van voor de staat schadelijke activiteiten.’
Deze twee zinnen vormden vanaf 1933 een ware terreurformule voor het hele Duitse rijk.

Zij volgden op het middernachtelijk gebons op de deur, op de druk van een revolver tussen de ribben vanaf een naburige zitplaats in de bioscoop of het gemompelde ‘Gestapo’ op het marktplein of in bus of tram. Maar voor Himmler c.s. waren zij niet meer dan de wettige middelen voor het verrichten van een arrestatie.
In tegenstelling tot Göring kon Himmler echter niet tevreden zijn met de gevangenneming van verdachten als doel op zichzelf.

Martelen met toestemming
‘Heel veel potentieel bruikbare informatie kan uit verdachten worden verkregen’, verklaarde Himmler in een SS-order van april 1933. ‘Zelfs als de verdenking van verraderlijke activiteiten ongegrond blijkt te zijn, kunnen zij er soms toe worden gebracht de SD informatie te verschaffen die naar andere verdachten leidt. Dergelijke informatie wordt doorgaans onder dwang,bedreiging of door belofte van invrijheidstelling gegeven.’

Theodor Eicke

De namen van enkele van de handlangers van Himmler in Dachau roepen door hun misdaden tegen de menselijkheid nog altijd echo’s van schrik en afgrijzen op: Theodor Eicke, Adolf Eichmann, Rudolf Höss. Hen werd in de ‘Voorschriften voor inhechtenisneming en concentratie’ carte blanche gegeven voor hun folterplannen. Deze plannen waren met liefdevolle toewijding uitgewerkt door Eicke en Himmler.

Hier als voorbeeld de ‘Voorschriften’ 11 en 12: ‘Als agitatoren worden zij beschouwd die opruiende toespraken houden, meetings organiseren, klieken vormen, rondhangen op openbare plaatsen; zij die de propaganda van opruiende gruwelverhalen voorzien, al dan niet waar, over de concentratiekampen; of zij die dergelijke informatie ontvangen verbergen, met anderen over spreken, of ze het kamp uit smokkelen door ze buitenlandse bezoekers in handen te spelen. Zij moeten op bevel van de Reichsführer SS (Himmler) gefusilleerd of opgehangen worden.

Waar het in het belang van de SD is – dat wil zeggen: indien daardoor namen van andere verdachten kunnen worden verkregen – mag een pak ransel of andere middelen om dit doel te bereiken pas worden toegepast met goedvinden van de kampcommandant. Dat was Eicke, die maakte dus nooit bezwaar!

‘De volgende delinquenten, wier misdaad muiterij is, zullen ter plekke neergeschoten worden of later worden opgehangen: iedereen die een SS-wacht aanvalt, die een bevel tot werken niet opvolgt, daartoe opruit of toespraken houdt tijdens de mars naar het werk. Met twee weken eenzame opsluiting en 25 zweepslagen zal een ieder worden gestraft die in brieven of andere geschriften afkeurende opmerkingen maakt over nazileiders, de staat of de regering, of die bolsjewistische of liberale leiders van de oude democratische partijen verheerlijkt.’

Het is duidelijk Eicke en Himmler nemen hun rol als ontbinder en onderdrukker uiterst serieus.  Iedere vorm van (politiek) anders denken werd vanaf het eerste moment in de kiem gesmoord. In Duitsland gingen politiek anders denkenden al ruim vóór 1940 een zware tijd tegemoet.

Written by Geschiedenisgek

augustus 7, 2011 at 7:58 am

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 1.724 andere volgers