Archive for november 2010
De geschiedenis van de Wegenwacht
Met het ontstaan van de Wegenwacht ging een historische wens van ANWB-voorzitter Edo Bergsma in vervulling. In 1923 had hij al eens gezegd dat “een veiligheidsdienst op de drukste wegen noodzakelijk is.” De organisatie ervan zag hij als taak van de ANWB.
De crisisjaren en daarna de Tweede Wereldoorlog zorgden ervoor dat de plannen tot 1945 in een bureaula moesten blijven liggen, maar op 15 april 1946 was het eindelijk zo ver. De eerste zeven wegenwachten traden aan.
De eerste jaren waren voor de Wegenwacht niet eenvoudig. Er was zo ongeveer tekort aan alles. Gelukkig waren er nog niet zo heel veel auto’s op de weg. De auto’s die er waren verkeerden in zo’n slechte staat, dat ze voortdurend met lekke banden, kapotte lagers, doorgezakte vering en stomende motoren langs de weg stonden.
Om al die automobilisten met pech toch zoveel mogelijk te helpen, werd van die eerste zeven wegenwachten veel inventiviteit vereist. Dat lukte prima! Zo werden lekke banden volgestopt met langs de weg afgesneden plukken gras. En voor het herstellen van gebroken veerpakketten gebruikten ze blokken hout. Zo kon een pechvogel toch nog gewoon thuiskomen. Al was het dan hobbelend en tergend langzaam rijdend.
De Wegenwacht was vrijwel onmiddellijk een enorm succes. Al snel steeg het aantal motoren van 7 tot 25.
Permanent experimenteren
In de begintijd had iedere wegenwacht zijn eigen traject. Hij kende de streek en als hij in een café of tankstation zijn middagboterham nuttigde, stak hij een gele vlag uit. Zo wist iedereen hem te vinden. De gemoedelijkheid van die eerste jaren verdween met de toename van het verkeer. Ook werd de uitrusting doelmatiger, zodat er efficiënter hulp kon worden geboden.
De machtige tweecilinders van de Harley Davidson werden vervangen door eencilinder zijkleppers van BSA. De handvatten van deze motoren konden in de winter elektrisch worden verwarmd. Een enorme stap voorwaarts in de arbeidsomstandigheden. Maar daarnaast werkte het natuurlijk ook gewoon niet lekker met van die verkleumde handen. Ook kwamen er valhelmen en nylon uitrustingen. Het was een tijd van permanent experimenteren. Totdat het besluit viel de motor af te schaffen en over te gaan tot het gebruik van kleine bestelauto’s.
Toch denken veel oud-wegenwachten met weemoed terug aan die vertrouwde motoren. Je kon overal langs en het maakte natuurlijk ook wel een hele stoere indruk.
1960: het eerste Wegenwachtstation geopend
De invoering van de mobilofoon zorgde voor een totaal andere invulling van het functioneren van de Wegenwacht. Tot dusverre had men al patrouillerende de klanten moeten opsporen. Door de toename van het aantal autowegen werd het echter onmogelijk om overal tegelijk te zijn.
In 1960 werd het eerste Wegenwachtstation ‘Pauwmolen’ officieel geopend. Het stond in verbinding met tien praatpalen en een groot aantal wegenwachtauto’s. Het station beschikte ook over een eigen zender. Hiermee kon het patrouilles direct naar de pechplek dirigeren.
Sinds die tijd is er keihard gewerkt aan de verbetering van de communicatie tussen gestrande automobilisten en de Wegenwacht; en met andere hulporganisaties, zoals politie, brandweer en ambulance. Een belangrijke aanzet daartoe vormde de plaatsing van de eerste ‘praatpalen’, langs de weg tussen Hoevelaken en Zwolle. Dat was het begin van een groot praatpalennet, dat door de ANWB in samenwerking met Rijkswaterstaat werd opgezet.
De Wegenwacht heeft zijn nut onder de hand meer dan bewezen. Er zijn maar weinig automobilisten die de vertrouwde gele verschijning langs de weg zullen willen missen.
Het Venlo-incident
Op 9 november 1939 vond bij café Backus – pal op de grens van Nederland en Duitsland – een incident plaats waarvan het complete verhaal nooit boven water is gekomen. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk of er een relatie is met de aanslag op Hitler, één dag eerder. Ook weten we nog altijd niet wat de relatie was tussen de Engelse en Nederlandse spionnen. Wat wel bekend is, dat Hitler dit zogenoemde ‘Venlo-incident’ aangreep als reden voor de aanval op Nederland. Een poging tot reconstructie.
Wat vooraf ging
In de periode vlak voor het uitbreken van de oorlog in West-Europa vluchten veel politieke vluchtelingen uit Duitsland naar Nederland. Veel leden van de Sicherheitsdienst en de Sicherheitzpolizei maakten van deze gelegenheid gebruik om ons land ongezien binnen te komen. Zij troffen daar o.a. leden van de Britse geheime dienst die al sinds het einde van Eerste Wereldoorlog vanuit het neutrale Nederland bezig waren informatie over Duitsland te verzamelen.
In deze periode werd de Nederlandse geheime dienst (GS-III) geleid door generaal-majoor Van Oorschot. In de jaren dertig werd GS III gesplitst in een binnenlands en een buitenlands deel. In deze reconstructie gaat het verhaal verder uitsluitend over het buitenlandse deel van de geheime dienst, GS-IIIB, geleid door majoor J.G.M. van de Plassche.
Ondertussen was Captain S. Payne Best, een Brits geheim agent, in Nederland actief. Hij had de opdracht gekregen contact te leggen met ene Dr. Solms, een Duitse spion. Zij ontmoeten elkaar voor het eerst in Venlo, in september 1939. Daar vertelde Solms dat er in het diepste geheim een complot tegen Adolf Hitler werd voorbereid. De leiders van het complot wilden via Payne Best met de Britten contact wilden leggen.
Bij volgende geplande bijeenkomsten kwam Solms niet meer opdagen. Zogenaamd omdat de Gestapo lucht van de zaak had gekregen, maar in werkelijkheid had Reinhard Heydrich, toen chef van de Gestapo, Solms vervangen door twee SS-officieren.
Het incident
Payne Best nam contact op met de Nederlandse geheime dienst. Ter ondersteuning kreeg hij luitenant Klop toegewezen. Hij was rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan generaal Reynders, indertijd de bevelhebber van het Nederlandse leger. Voor de uitwisseling informatie was – na enkele voorbereidende ontmoetingen – aanvankelijk gekozen voor Venlo. Maar omdat de Duitsers kenbaar maakten een afspraak in de stad te gevaarlijk te vinden, werd uitgeweken naar café Backus.
De ontmoeting zou plaatsvinden op 9 november.
Payne Best ging, vergezeld van Klop en een Engelse collega-agent naar het café. Door verontrustende berichten over een op handen zijnde aanval van Duitsland op Nederland, namen de mannen hun wapens mee. Voor naar café Backus te vertrekken, ging Klop eerst op bezoek bij het grenskantoor van de Koninklijke Marechaussée. Met hen sprak hij af dat zij een patrouille langs de grens zouden sturen. Een soort van ‘veiligheidsmaatregel’.
Aangekomen bij het café ging het direct mis. Op het moment dat de mannen uitstapten, kwam er met hoge snelheid een Duitse auto de grens over, met pistoolmitrailleurs bewapende mannen op de treeplanken. Klop, die nog had geprobeerd zijn pistool te trekken, werd in zijn hoofd geschoten en zwaar gewond afgevoerd. De anderen werden in de boeien geslagen en afgevoerd. De patrouille van de Marechaussée kon niets meer uitrichten. Toen zij aankwamen was alles alweer achter de rug.
Uit alles bleek dat de Duitsers gedetailleerd hadden voorbereid. De ontvoering van de Britse geheim agenten en de aanwezigheid van de Nederlandse geheim agent Klop, wiens handtekening dankbaar door de Duitsers werd misbruikt, gaf de Duitse Inlichtingendienst meer dan genoeg ‘bewijs’ om samenwerking tussen de Britse en de Nederlandse geheime diensten te vermoeden. Concreet bewijs was er niet, maar Klop’s handtekening werd misbruikt om te bewijzen dat het neutrale Nederland in het geheim samenwerkte met de geallieerden. Dit was minder dan een jaar later de rechtvaardiging voor de aanval op Nederland.
Soms is de zittingsperiode van een kabinet wel héél kort
Over het algemeen wordt een kabinet in Nederland voor een periode van vier jaar benoemd. Zo’n periode heet een ‘zittingsperiode’. Vanzelfsprekend zijn er altijd uitzonderingen op de regel. Iedereen herinnert zich ongetwijfeld nog het eerste kabinet Balkenende. Dankzij het geruzie van de LPF’ers was het na 86 dagen alweer voorbij. Maar dat is nog niets in vergelijking met de zittingsperiode van het vijfde kabinet Colijn. Die konden na 2 dagen hun nog maar nauwelijks ingerichte bureaus alweer ontruimen. Daarmee is een record in de geschiedenisboeken terechtgekomen dat nooit meer wordt overtroffen.
Na de val van het vierde kabinet-Colijn werd de demissionair minister-president persoonlijk aangezocht als formateur.
Het eerste plan – een brede coalitie van de zes grote partijen in de Tweede Kamer – is voor RKSP, SDAP en VDB onaanvaardbaar.Ïn het gezamenlijk overleg van het staatshoofd met haar vaste adviseurs, deze maal aangevuld met staatsraad mr. dr. Dirk Fock, komt er aanvankelijk geen oplossing. Hierop wordt tot ieders verrassing voormalig voorzitter van de Tweede Kamer Koolen tot formateur benoemd. Ook hij slaagt niet in zijn missie. Hierna komt opnieuw demissionair premier Colijn in beeld. Hij zoekt nu de oplossing in een extraparlementair kabinet. Een kabinet met bewindspersonen die buiten het parlement om – op persoonlijke titel – worden gevraagd.
Katholieken en vrijzinnig-democraten weigeren zitting te nemen in het kabinet. Naast drie zittende ministers (Van Boeyen, Van Dijk en Patijn) en de liberale oud-minister Van Lidth de Jeude worden personen van buiten de politiek aangezocht. De ministers komen uit de gelederen van ARP en CHU of zijn partijloos. Wat opvalt is het (verhoudingsgewijs) grote aantal liberale bestuurders. Zij zijn overwegend afkomstig uit het bestuur van Nederlandsch-Indië. De val wordt veroorzaakt door een motie van RKSP-fractievoorzitter Deckers. Met slechts de stemmen van ARP, CHU, Liberale Staatspartij, NSB en SGP tegen was het bij het eerste optreden van het kabinet direct over en uit. Nog voordat het goed en wel met regeren was begonnen.
Merkwaardige gebeurtenissen rond 10 mei 1940
Nadat de Eerste Wereldoorlog was beëindigd, kwam de liberale democratie in alle delen van Europa onder grote druk te staan. Met name de mislukte staatsgreep van Hitler in Beieren (1923) en de vele politieke moorden in Italië geven aan dat de gevestigde orde leek te bezwijken onder het geweld van antidemocratische groeperingen. De Duitse annexatie van Sudetenland (1939) vormde – zo bleek later – de opmaat naar de Tweede Wereldoorlog. In die jaren was Bert Sas militair attaché op de Nederlandse ambassade in Berlijn.
Dankzij zijn langjarige vriendschap met kolonel Hans Oster, de rechterhand van Wilhelm Canaris – de bevelhebber van de contraspionagedienst van het Duitse leger- kreeg Sas toegang tot allerlei vertrouwelijke informatie over de troepenbewegingen van de legers van Hitler. Het was niet alleen hun beider afkeer van het naziregime dat de beide mannen bond. Hun vriendschap dateerde al uit het begin van de jaren dertig. Oster speelde hem alle belangrijke informatie door die hij zelf kreeg. Hij deed dit niet uit sympathie voor Sas, maar omdat hij dit als zijn plicht tegenover Duitsland beschouwde. Oster zag zichzelf niet als landverrader, maar als iemand die zijn plicht deed tegenover het fatsoenlijke Duitsland dat hem lief was.
De mobilisatie in Nederland
Anders dan bij de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – toen er in heel Europa sprake was van blinde paniek – bleef alles nu rustig, te rustig, zou je achteraf zeggen. In Nederland werden 350.000 militairen in staat van paraatheid gebracht. Onder normale omstandigheden een leger waar zo’n klein land als het onze prima mee voor de dag kan komen.
Alleen de bewapening…Die was voor een belangrijk deel nog van vóór de eeuwwisseling, handwapens waren nauwelijks te tillen en de veldmitrailleurs hadden bijna allemaal waterkoeling. Als je ze iets langer gebruikte verried een stoompluimpje de exacte locatie. Geen fijn plan om begrijpelijke redenen.
Fall Gelb
De officieren van de Duitse generale staf die onder de codenaam Fall Gelb de overval op Nederland en België voorbereiden, reserveerden voor de strijd tegen 350.000 Nederlanders welgeteld 50.000 eigen manschappen. Daarmee moest het lukken. De manier waarop hebben we op school allemaal in de geschiedenisboekjes kunnen lezen. Terug naar Bert Sas. In de maanden september en oktober van 1939 kreeg Sas steeds meer signalen dat er een schending van de neutraliteit van Nederland op handen was. Nederland zou – evenals België – worden aangevallen. Zijn sombere berichten over een op handen zijnde schending van de Nederlandse neutraliteit werden door generaal Reijnders niet geloofd.
In een eerder rapport waarschuwde Sas voor het gevaar van luchtlandingstroepen. In Den Haag werd dit rapport belachelijk gemaakt: “Zulke troepen vangen we op met hooivorken.”
Toen zijn informatie kritisch werd ontvangen, vertelde hij wel dat zijn inlichtingen afkomstig waren van een hoge Duitse officier bij het oppercommando van de Wehrmacht.Tegen beter weten in beweerde Reijnders dat de inlichtingen van Sas niet klopten met andere inlichtingen. Die andere inlichtingen waren er, want de Britse gezant Sir Neville Bland had Nederland ook al gewaarschuwd. En de Duitse gezant had verschillende loslippige opmerkingen gemaakt. Maar wat deed het Nederlandse opperbevel? Niets!
Sas hoorde op 9 mei van Oster dat op 10 mei de aanval tegen Nederland zou worden ingezet. Het bevel kon uiterlijk tot 21.00 die avond worden herroepen. Oster en Sas aten samen in een restaurant, en om 21.30 bezocht Oster het oppercommando van de Wehrmacht. Het tegenbevel was niet gegeven. Oster nam afscheid met de woorden: “Mein lieber Freund…. Hoffentlich sehen wir uns nach dem Krieg wieder.” Sas gaf de melding niet per telegram door. In plaats daarvan belde hij de dienstdoende officier in Den Haag: “Morgen bij het aanbreken van de dag, je begrijpt me wel.’” In het Nederlands gezantschap werden alle stukken verbrand. Uit Den Haag werd nerveus teruggebeld. In een geïmproviseerde code informeerde hij of Sas zeker was van zijn zaak. Sas was woest: hij wist zeker dat de lijn voortdurend werd afgeluisterd.
10 mei 1940: de Duitse inval
Sas haalde enkele persoonlijke spullen uit zijn appartement en keerde terug in het gezantschapsgebouw. Om half zes op 10 mei kreeg de Nederlandse gezant een ultimatum van minister Von Ribbentrop, waarin Nederland werd beschuldigd van het schenden van de neutraliteit. Dit ultimatum had betrekking op het ‘Venlo-incident’ van 9 november 1939!
Het ultimatum dreigde met de volledige vernietiging van Nederland indien verzet zou worden geboden tegen de Duitse troepen.Het Nederlands gezantschap diende een formeel protest in tegen de Duitse agressie. Binnen enkele dagen werd het gehele Nederlandse personeel op de trein naar Zwitserland gezet. Dit was een opluchting voor Sas, die vreesde speciaal gearresteerd te worden vanwege de twee telefoontjes.Na de Duitse overwinning op Nederland startte de Gestapo onder andere naar aanleiding van de twee telefoontjes een onderzoek naar het uitlekken van de aanvalsplannen. Noch in Den Haag noch in Berlijn werden echter aanwijzingen gevonden over de bron van het lek in de Duitse legertop.
De vader van de Nederlandse politieke reclame
Martin Veltman (1928-1995) was dichter. Maar zijn literaire talenten hebben altijd in de schaduw gestaan van zijn activiteiten in het reclamevak. Slagzinnen waarmee hij het ruim 40 jaar geleden al tot de status van BN’er bracht zijn: ‘Heerlijk helder Heineken’ en ’s Lands grootste kruidenier blijft op de kleintjes letten’.
In 1966 stond Veltman aan de basis van de stormachtige binnenkomst van D’66 in het Nederlandse parlement.
Jan Blokker typeerde Veltman in de Volkskrant als ‘de Kay van der Linde van Hans van Mierlo’.
Maar eigenlijk gaat die vergelijking niet op. Veltman – een van de oprichters van het roemruchte FHV/BBDO – was immers groot geworden in het Nederlandse reclamelandschap. Hij had geen succesvolle loopbaan in de Verenigde Staten achter de rug. Hij zou het dus ook nooit in zijn hoofd halen om Van Mierlo in de RAI te laten optreden voor een verzameling vastgoedhandelaren. Hij liet Van Mierlo langs de gracht wandelen. Hardop mijmerend over wat er allemaal mankeerde aan de Nederlandse democratie. Veltman liet Van Mierlo vier minuten somberen, maar aan het einde van de wandeling sloot hij af met een blijde boodschap. Uit het niets kwam de partij met zeven zetels in de Tweede Kamer. In die tijd nog nooit vertoond.
Vergeten volksvertegenwoordigers: drs. Theo Joekes
Bekend journalist, schrijver en VVD-politicus. Kwam in 1984 door zijn opstelling in de RSV-enquêtecommissie in grote problemen met de partijleiding. Wist desondanks in 1986 zijn zetel via voorkeursstemmen te behouden. Leed in ernstige mate aan manische depressiviteit.
Op 5 juni 1963 had Joekes zitting genomen in de Tweede Kamer. Binnen enkele maanden na zijn beëdiging werd hij secretaris van de VVD-fractie. Zijn naam als Kamerlid vestigde hij in oktober 1965 door met een primeur te komen. Namens de fractie – op dat moment in de oppositie tegen het kabinet-Cals – presenteerde Joekes een tegenbegroting. Al die tijd bleef ook het schrijven trekken. In 1967 werd hij correspondent voor The Economist. Vanaf 1968 ook nog een column in de Nieuwe Rotterdamse Courant. Ook in het bedrijfsleven was Joekes actief. Omstreeks 1971 had hij de VOF Anglo Continental Business Consultants opgericht om te bemiddelen bij overnames.
Manisch depressief
Intussen was komen vast te staan dat Joekes leed aan een manisch depressieve stoornis met psychosen. Hiervoor kreeg hij vanaf 1971 medicatie. Toen Joekes deze in 1972 onderbrak, ging het mis. De psychische problemen werden zo groot, dat de fractieleiding hem van maart tot september met ziekteverlof stuurde en hem de functie van fractiesecretaris ontnam. Joekes raakte enige tijd zonder vaste woon- of verblijfplaats, dolend tussen Scheveningse toeristenhotelletjes. In 1975 ging de VOF failliet. Ook was hij al eerder met zijn correspondentschappen – o.a. voor The Economist en The Financial Times – gestopt. Door hervatting van de medicatie kreeg Joekes zijn leven weer netjes op orde.
Parlementaire enquêtecommissie RSV
In 1983 werd Joekes ondervoorzitter van de parlementaire enquêtecommissie naar de besteding van alle overheidssteun aan het RSV-concern dat desondanks begin jaren tachtig failliet was gegaan. Toen de commissie vaststelde dat liberaal minister van Economische Zaken Van Aardenne de Tweede Kamer in 1980 had misleid en dat als ‘onaanvaardbaar’ wilde bestempelen, probeerde VVD-fractieleider Ed Nijpels de liberale commissieleden daarvan te weerhouden. Joekes weerstond de druk, maar bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1986 kwam hij door ingrijpen van Nijpels op een onverkiesbare plaats terecht.In reactie daarop startte Joekes een eigen campagne. Hij kam met 285.000 voorkeursstemmen (goed voor vijf zetels) aan de eindstreep.
Toen hij in 1989 opnieuw op een onverkiesbare plek terecht kwam, trok hij zijn conclusies en vertrok. Naast het Kamerwerk bleef schrijven voor Joekes een belangrijke bezigheid. Omstreeks 1980 publiceerde hij onder het pseudoniem Constant van de Borgh een groot aantal autobiografische anekdotes in het Utrechts Nieuwsblad. In 1986 gebundeld onder de titel Bestemming Binnenhof. Voor NRC Handelsblad schreef hij tussen 1985 en 1986 een honderdtal artikelen op de opiniepagina en in Trouw had hij van 1991 tot 1995 een wekelijkse column.Ook stortte hij zich op het schrijven van romans. Kersen in september (1987) was de eerste, over de Haagse politiek en journalistiek, over schrijven en poëzie, maar bovenal over vrouwen. Dicht tegen zijn eigen leven aan. Ook de vier romans die nog volgden waren sterk autobiografisch van opzet. In zijn in 1996 verschenen memoires Man en paard. Herinneringen toonde Joekes zich voor Nederlandse begrippen ongekend openhartig. Vanaf 1997 tot kort voor zijn dood- twee jaar later – schreef hij politieke columns in de Haagsche Courant.
Epiloog
Van de parlementariër Theo Joekes zijn weinig grote wapenfeiten bekend. Wel maakte de manier waarop hij 25 jaar lang politiek bedreef indruk. Als een ware acteur, die de parlementaire spelregels tot in zijn vingertoppen beheerste. Als journalist was zijn pen scherp.Hij genoot grote faam om zijn duidelijke en vaak tegendraadse opvattingen. Bondig en precies geformuleerd. Hij was erudiet en geestig, en behelpt met spotzucht, waarbij hij ook zichzelf niet spaarde. Anglofiel als hij ook was, leeft hij in het Londense Hyde Park voort in de rugleuning van een houten bank. Daarin staat gegraveerd: ‘In loving memory of Theo Joekes, 1923-1999’.
Van die dingen dus…
Cor van der Laak – ook bekend onder zijn werkelijke naam Kees van Kooten – kon over van alles en nog wat helemaal uit zijn dak gaan. Hij hield dan een donderpreek die altijd eindigde met de (historische) woorden: “van die dingen dus, van die dingen”. Het zijn woorden die je overal tegenkomt. In kranten, tijdschriften, onze spreektaal én … niet te vergeten: het parlement. Dat men Cor van der Laak aanhaalt, blijkt onder meer uit de plaats in het betoog: meestal wordt de term van die dingen dan gebruikt om een betoog of redenering af te sluiten.
Ook wordt de uitdrukking wel gebruikt om iets dat onrechtmatig, ergerlijk of tamelijk onzinnig is te duiden. Zo zei Jan Marijnissen, indertijd voorman van de Socialistische Partij, tijdens een debat over een wetsvoorstel inzake arbeidsbemiddeling:
In het werkgeversblad Forum (…) wordt een korte uiteenzetting gegeven voor de lezers, werkgevers, van de komende veranderingen. Laat in dat artikel nu juist alleen maar staan op welke manier en hoe lang arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd blijven betaan. Van die dingen dus!
De uitdrukking is misschien niet meer zo bekend, maar er is in elk geval één categorie mensen die er een aantal jaren maandelijks mee in aanraking kwam: de lezers van Opzij, het feministische opinieblad. Van die dingen dus was namelijk een tijdlang de titel van de hoofdredactionele column van Cisca Dresselhuys in dat tijdschrift.
De uitdrukking wordt bijna altijd in de vaste vorm van die dingen dus gebruikt. Een fraaie uitzondering op die regel stond in 1995 in Trouw, in een artikel van Nico van Rossen. Hij schreef: ‘Daarop zwijgen de deelnemers. Aha, nu zijn we nog even ver. Van die dingen dus, die voorbijgaan.” Hier lopen de woorden van Cor van der Laak naadloos over in een boektitel van Louis Couperus, namelijk: Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan…
De ontwikkeling van het Nederlandse wegennet
Met de installatie van een ‘Propagandacommissie voor Wegenverbetering’ gaat in 1889 de directe betrokkenheid van de ANWB bij het Nederlandse wegennet van start. Stofbestrijding, het bevorderen van de aanleg van fietspaden, het afkopen van tolrechten, het plaatsen van waarschuwingsborden. Alles werd gedaan om de hobbelige wegen van die tijd begaanbaar te maken voor het toenemende verkeer.
Hoewel er voor iedereen duidelijk is dat er aan de Nederlandse wegen veel moet worden verbeterd, krijgt het wegenvraagstuk vrijwel geen aandacht. Niet van de regering, niet van het parlement en niet van de direct belanghebbenden. In 1915 krijgt een eerste voorstel voor een rijkswegennet in de Tweede Kamer zó weinig aandacht, dat het niet eens tot openbare behandeling komt.
Eerst in 1923(!) wordt door de minister een commissie ingesteld die de opdracht krijgt te onderzoeken ‘of en in hoeverre er maatregelen nodig zijn om te bevorderen dat de land- en waterwegen en de spoor- en intercommunale tramwegen, op de meest economische manier dienstbaar kunnen worden gemaakt aan het vervoer van reizigers en goederen.’ In het in 1924 uitgebrachte verslag worden de kosten voor aanleg en verbetering van het wegenstelsel geraamd op 225 miljoen gulden die door een in te voeren wegenbelasting moeten worden gedekt.
Men verwachtte circa 33 jaar nodig te hebben om de beoogde oplossingen te realiseren.
De Groote Vergadering van 1925
In 1924 was voor ANWB-voorzitter Edo Bergsma de maat vol. Hij besloot een actieprogramma te ontwerpen met als doel de overheid bij het wegenprobleem te betrekken.
Het voornemen ontstaat om alle betrokkenen en belanghebbenden bijeen te brengen om het intussen zéér urgente vraagstuk te bespreken en uiting te geven aan de algemeen gevoelde overtuiging dat ‘spoedig en krachtig’ door de overheid moet worden ingegrepen.
Op 26 januari 1925 wordt in Den Haag een vergadering gehouden. Omdat het nadrukkelijk niet de bedoeling is om de bestaande samenwerking met de overheid geweld aan te doen, wordt – om iedere schijn van protest of actie te vermijden – gekozen voor de naam ‘Groote Vergadering’.
Bergsma slaagt erin om vertegenwoordigers van maar liefst 200 organisaties en instanties bijeen te brengen. Het zijn:
- de burgemeesters van alle grote steden
- de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
- Leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
- Vertegenwoordigers van de Landbouw Hogeschool
- De Maatschappij voor Nijverheid en Handel
- Bond van Bedrijfsautohouders
- Instituut voor Volkshuisvesting en Stedenbouw
- Vertegenwoordigers van het Nederlands Landbouw Comité
- Verbond van Fabrikanten Verenigingen
- Vereniging Nederlandse Werkgevers
- Centraal Industrieel Verbond
- Werknemers Verenigingen
- Werkgevers Verenigingen
Het doel van de Groote Vergadering
Er wordt voor gekozen om tijdens de vergadering een aantal stellingen in het openbaar te behandelen:
- De wegen beantwoorden al sinds geruime tijd niet meer aan de eisen van het tegenwoordige verkeer.
- Het steeds toenemende verkeer moet leiden tot ontwrichting ervan, als niet tijdig wordt ingegrepen.
- Voor het economisch leven zijn goede, voor het verkeer voldoende en geschikte wegen onmisbaar.
Naar aanleiding van de eerste stelling wordt vastgesteld dat vooral de hoofdverbindingen onvoldoende zijn. Bij stelling twee wordt aan de hand van statistische cijfers aangetoond hoe groot de groei van het aantal voertuigen in de voorgaande jaren is geweest. Bij stelling drie wordt de nadruk gelegd op de kosten van vervoer die een belangrijk deel van de totale productiekosten gaan uitmaken. Modern vervoer is motorvervoer, dat ook voor de landbouw van belang is. Er zullen zowel directe als indirecte besparingen aan een modern wegennet zijn verbonden.
De exploitatiekosten van het gehele motorrijtuigenverkeer in Nederland worden in die tijd globaal geschat op 150 miljoen gulden. Besparingen van 30 tot 40 procent worden haalbaar geacht.
Naast deze economische motieven spelen ook psychologische factoren als gemak, genot en gezondheid een belangrijke rol. Goede wegen zullen, door de lagere aanschaffings- en gebruikskosten, het vervoer per motorvoertuig onder het bereik van velen brengen.
Het belang van de Groote Vergadering ligt minder in de directe resultaten, maar meer in het samenkomen van de belanghebbenden. Dit geeft de omvang van het maatschappelijk probleem aan.
De vergadering heeft zijn effect niet gemist. Twee jaar later – in 1927 – wordt het eerste Rijkswegenplan ingediend.
En wel hierom…
“Mijn naam is Cor van der Laak, en wel hierom.” Zo begon Cor van der Laak - een prachtige creatie van Kees van Kooten – zijn talloze donderpreken. Van der Laak, die op 29 oktober 1978 zijn debuut maakte, was grenzeloos populair bij het publiek. Dat komt doordat iedereen hem herkende. “In bijna alle gemeenten van Nederland blijkt een Cor van der Laak te wonen”, schreef Kees Fens ooit in de Volkskrant. “Zijn naam is een soortnaam geworden.”
Het gevolg is dat veel van Cors uitspraken gevleugeld werden. Dat geldt óók voor en wel hierom. Op zich is dit een algemene, veel voorkomende constructie. Maar als die in een bepaalde context wordt gebruikt, kun je er zeker van zijn dat de schrijver Cor van der Laak in gedachten had. Bijvoorbeeld als iemand – net als Van der Laak – opwindt over iets absurds of pietluttigs.
We zien de uitdrukking ook geregeld terug in beweringen die een nadere toelichting nodig hebben. Zo kopte NRC/Handelsblad in 1996: “Voetbal is goed voor het milieu, en wel hierom”. Het Parool schreef in 1997: “Chris noemt de dingen bij hun naam: jij bent een lul en wel hierom.” Trouw bleef niet achter; zij meldde in 1998: “Eén ding staat vast: de klant wordt uitgekleed, en wel hierom.”
En wel hierom is het mooiste voorbeeld van een onschuldige Nederlandse uitdrukking die door Van Kooten en De Bie onherstelbaar is verbeterd.
Filebestrijding: hogere rekenkunde in de politiek
Stel: je hebt een land van 41.500 vierkante kilometer. Daarop wonen ruim 16 miljoen mensen die iedere dag van huis naar school, naar werk, naar belangrijke klanten, naar hockey of weer terug naar huis willen. Stel: het aantal uren dat we met elkaar in de file staan, is de laatste jaren aanzienlijk (sommige bronnen spreken over méér dan 70%!) toegenomen. De economische- en milieuschade loopt (conservatief geschat) in de vele honderden miljoenen. Gevraagd: hoeveel jaar moet er worden vergaderd voordat er eindelijk eens iets wordt gedaan?
We weten alles van onze files af, hoe mensen zich voelen in die extra tijd voor zichzelf, hoeveel extra CO2 er wordt uitgestoten en onder welke financiële druk zij mogelijk bereid zijn de auto te laten staan. Ook weten we alles van congestieheffingen van London tot Stockholm en Singapore. Maar wat doen we eraan? Niets!
Nederland zit bijna op slot
In 2005 werd door Pieter Hofstra (VVD) en Sharon Dijksma (PvdA) het initiatief genomen om de invoering van ‘een heffing’ naar gebruik van de auto aan de orde te stellen, ter vervanging van de vaste autobelastingen. Dit was het eerste moment dat de eventuele invoering van een kilometerheffing aan de orde kwam.
De kilometerheffing komt er voorlopig niet
Voortschrijdende inzichten hebben ervoor gezorgd dat de VVD is gedraaid. Van een vervent voorstander van de kilometerheffing draaide zij tot de scherpste tegenstander. Vanuit partijpolitiek belang niet vreemd, maar dat is een ander verhaal. Nu is een draconische investering in asfalt naar het idee van de liberalen de oplossing. Als de VVD aan de macht komt – en dat is intussen gebeurd – kunnen we daar circa 1.5 miljard euro voor reserveren. Alsof er in deze tijd nog geld is voor betrekkelijk zinloze acties. Zinloos? Jazeker! Zowel het Centraal Planbureau als het Planbureau voor de Leefomgeving hebben de mobiliteitsplannen van de diverse partijen doorgerekend en daaruit is één ding duidelijk geworden. Extra asfalt helpt niet!
Toch een kilometerheffing?
Het aantal uren dat de automobilist in de file staat daalt bij de VVD met 5 procent. In het programma van GroenLinks – voor wie filebestrijding geen hoofdissue is – gaat het aantal uren in de file met maar liefst 60 procent naar beneden. Dat komt doordat zij toch weer het fenomeen kilometerheffing van stal hebben gehaald.
Nadat het wetsvoorstel van de eigen minister Eurlings aanvankelijk is teruggetrokken, bleek het CDA tijdens de formatie ineens weer vóór een kilometerheffing te zijn. Maar toch heeft zij alvast een manier bedacht om de kilometerheffing straks voor een tweede keer (en dan vermoedelijk definitief) te kunnen afvoeren. Zonder draagvlak (lees: steun van de Nederlandse bevolking) zal het er niet van komen. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte-1 is expliciet uitgesproken dat de kilometerheffing er niet komt. Het mobiliteitsprobleem waar wij met elkaar last van hebben, blijft tot in lengte van jaren bestaan. Een hoogst ‘aangenaam’ vooruitzicht.





